Taking too long? Close loading screen.
Home / Engels / Antwerpen 10 september 1992

Antwerpen 10 september 1992

/
/
70 Views

Arbrb. Antwerpen (12de k.),10 september 1992

Zet.: HH. Goemans, recht.; Van Triest en Bollens, recht. soc. zak.

Op. min.: Mw. Tollenaere, subst. arb. aud.

Pleit.: MMrs. Vervaeke en Impens

C.L. t/ Stad Antwerpen (A.R. nr. 212.480)

 

De vordering van eiseres, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, strekt ertoe verweerster te horen veroordelen om aan eiseres te betalen ten titel van schadevergoeding, de som van 10.000.000 F onder voorbehoud van uitbreiding en van nadere specificatie in de loop des gedings, te vermeerderen met de verwijls- minstens de vergoedende intresten vanaf 30 juni 1991 en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, inclusief rechtsplegingsvergoeding.

In haar conclusie ontvangen ter griffie op 7 januari 1992 specifieert eiseres haar vordering nader als volgt:

a) loonverlies tussen 60 en 65 jaar:

79.681 F x 14,85 x 5 jaar = 5.896.395F

b) schadevergoeding wegens rechtsmisbruik materieel en moreel, ex aequo et bono: 5.000.000 F

Totaal: 10.896.395 F

1. Feiten

Op 1 februari 1977 kwam eiseres in dienst van de Stad Antwerpen in hoedanigheid van schoolgeneesheer en dit in een deeltijdse betrekking.

In een bijvoegsel aan de overeenkomst verbond eiseres er zich toe op haar 65ste jaar ontslag te nemen.

Op 26 november 1990 besliste het College van Burgemeester en Schepenen in uitvoering van een bij de Programmawet van 22 december 1989 opgelegd saneringsplan, ten aanzien van een aantal vastbenoemde personeelsleden, gesubsidieerde contractuelen en ook tijdelijke personeelsleden, waaronder eiseres, toepassing te maken van artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dit artikel voorziet dat, indien de opzegging wordt gegeven om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken op het tijdstip waarop de bediende de normale leeftijd bereikt voor het volledig wettelijk pensioen, of daarna, de termijn van opzegging wordt vastgesteld op 6 maanden wanneer de opzegging van de werkgever uitgaat.

Bij aangetekende brief van 26 november 1990 betekende de Stad Antwerpen de opzegging van de arbeidsovereenkomst van eiseres in volgende bewoordingen:

“Hierbij delen wij u mede dat, in uitvoering van de beslissing d.d. 26 november 1990 van het college, met ingang van 1 december 1990 een einde wordt gesteld aan uw tewerkstelling als tijdelijk schoolgeneesheer (1/2 time).

Conform de wettelijke bepalingen ter zake, zal uw tewerkstelling bij ons bestuur, mits de wettelijke opzegtermijn van 6 maanden (van 1 december 1990 tot en met 31 mei 1991) beëindigd zijn op 1 juni 1991…”

Met aangetekende brief van 28 februari 1991 protesteerde eiseres, bij monde van haar raadsman, tegen het betekende ontslag omdat het in strijd zou zijn met artikel 5 van de E.E.G.-Richtlijn 76/207, die iedere discriminatie op basis van geslacht verbiedt. Eiseres vorderde dat de gegeven opzegging zou ingetrokken worden.

Met brief van 25 maart 1991 hield de Stad Antwerpen voor dat het ontslag van eiseres niet werd gegeven op grond van een discriminerende praktijk maar een logisch uitvloeisel was van het aan het stadsbestuur opgelegde saneringsplan waarbij niet discriminerend werd tewerk gegaan.

Verder werd nog briefwisseling gevoerd tussen partijen maar de Stad Antwerpen bleef uiteindelijk bij haar standpunt zodat eiseres genoodzaakt was tot dagvaarding over te gaan op 9 juli 1991. (…)

3. Niet-toepassing van de voorschtiften van het Europees recht

Terecht merkt eiseres op dat het artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet (voor de wijziging ervan bij wet van 20 juli 1990) strijdig was met artikel 119 van het E.E.G.-Verdrag, met de bepalingen van de richtlijn van de Raad 76/207 E.E.G. en met de bepalingen van de gelijkheidswet van 4 augustus 1978.

Het Hof van Justitie bevestigde in het arrest Defrenne II (H.v.J., 8.4.1976, inzake 43/75 Defrenne/Sabena, Jur. H.v.J. van de Europese Gemeenschappen 1976, 455) dat artikel 119 van het E.E.G.-Verdrag betreffende de gelijke beloning, rechtstreekse werking bezit, zowel horizontaal tegenover de Staat als verticaal ten aanzien van de particulieren. Het begrip gelijke beloning wordt door het Hof van Justitie ruim geïnterpreteerd. Het slaat ook op de vergoedingsregelingen bij beëindiding van de arbeidsovereenkomst.

Door het vervroegde discriminerende ontslag (een mannelijke werknemer zou slechts met dezelfde opzeggingstermijn 5 jaar later zijn kunnen ontslagen) verliest eiseres de mogelijkheid om gedurende 5 jaar nog loon te verdienen.

Het artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet (eveneens voor de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 1990) was eveneens in strijd met de verschillende richtlijnen inzake gelijke behandeling.

In het arrest Marshall (H.v.J. 26.2.1986, inzake 152/84 Marshall/South West Hampshire Area Health Autority, Jur. H.v.J., 1986, 173) oordeelde het Hof van Justitie dat een lidStaat die de door de richtlijn voorgeschreven uitvoeringsmaatregel niet tijdig heeft getroffen zijn tekortkoming desbetreffend niet aan particulieren kan tegenwerpen, wanneer die een verplichting ten aanzien van de lid-Staat willen afdwingen. –

Weliswaar hebben de richtlijnen inzake gelijke behandeling geen rechtstreekse horizontale werking, tenzij wanneer de werkgever de Staat is of behoort tot de Staat.

Het begrip “Staat” wordt door het Hof van Justitie ruim geïnterpreteerd. Zo werd reeds geoordeeld dat ook een gemeente en meer in het algemeen alle organen van bestuur, op alle niveau’s van indeling van het grondgebied, en een instelling die, ofschoon geen eigenlijk staatsorgaan, op een of andere wijze het overheidsbeleid uitvoert. (H.v.J., 22.6.1989 inzake 103/88, Constanzo/Gemeente Milaan, Jur. H.v.J., 1989, 1839, r.o. 31) als “Staat” moeten worden beschouwd.

In casu is verweerster alleszins als “Staat” te beschouwen in de zin van voormelde interpretatie van het Hof van Justitie.

De richtlijn 76/207 heeft ten aanzien van partijen bijgevolg rechtstreekse horizontale werking.

In het voormeld arrest Marshall oordeelde het Hof van Justitie eveneens dat artikel 5, § 1 van de richtlijn 76/207 aldus moet geïnterpreteerd worden dat een algemene ontslagregeling die meebrengt dat een vrouw kan worden ontslagen op grond van het enkele feit dat zij de leeftijd heeft bereikt op dewelke zij aanspraak kan maken lastens de Staat op een rustpensioen, leeftijd die verschillend is voor mannen en vrouwen, een discriminatie uitmaakt in de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

In casu was op het tijdstip van het ontslag (26 november 1990) de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen weliswaar gelijkgesteld door de wet van 20 juli 1990 maar, ingevolge artikel 18 van die wet bleef tot 31 december 1990 de mogelijkheid bestaan om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij het ontslag, tegen of na het bereiken van de “normale” pensioengerechtigde leeftijd (60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen).

Het nieuwe artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet (ingevoerd door artikel 15 van de wet van 20 juli 1990) was immers slechts van toepassing verklaard op opzeggingen die vanaf 1 januari 1991 werden ter kennis gebracht. De eerder bestaande niet gerechtvaardigde discriminatie zoals opgenomen in artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet bleef aldus tot 31 december 1990 bestaan.

Wanneer dan, zoals in casu, de Stad Antwerpen gebruik maakte van deze discriminerende en met de verordening 761207/E.E.G. strijdige mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan had het ontslag geen wettelijke basis.

Dit is het logisch uitvloeisel van de verplichting voor de nationale rechter om, bij niet- of niet juiste omzetting van een richtlijn in het nationaal recht, een gemeenschapsconforme interpretatie te geven aan dat nationaal recht. Aldus moet het nationaal recht terzijde worden geschoven ten gunste van het Gemeenschapsrecht.

De Stad Antwerpen is bijgevolg gehouden om bij toepassing van artikel 81, § 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet een opzeggingsvergoeding te betalen, berekend overeenkomstig de regel zoals voorzien in artikel 82, § 3 van diezelfde wet.

4. Omvang van de verschuldigde opzeggingsvergoeding

Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, die de rechtbank in casu bijtreed, is de opzeggingstermijn die de werkgever in acht moet nemen de termijn die de werknemer in staat moet stellen spoedig een gelijkwaardige dienstbetrekking te vinden rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd, zijn functie en zijn loon op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging. (Cass., 3 februari 1986, J.T.T., 1987, 58).

De rechtbank is van oordeel dat rekening houdend met de leeftijd van eiseres op het tijdstip van de betekenis van de opzegging (59 jaar en 10 maanden), haar door de Stad Antwerpen niet betwiste jaarloon van 1.183.263 F, haar functie van schoolgeneesheer en haar anciënniteit van 14 jaar, de Stad een opzeggingstermijn in acht had moeten nemen overeenstemmend met een termijn van 36 maanden.

De aanvullende opzeggingsvergoeding bedraagt bijgevolg het loon overeenstemmend met 30 maanden of 1.183.263: 12 x 30 = 2.958.157 F, vermits eiseres 6 maanden van de gegeven opzeggingstermijn presteerde.

5. Misbruik van recht – bijkomende schadevergoeding ?

Eiseres houdt voor dat de Stad Antwerpen misbruik van recht zou gepleegd hebben door gebruik te maken van een wetsbepaling (art. 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet) wanneer deze duidelijk in strijd was met het Gemeenschapsrechten met het nationaal recht (richtlijn 761207/E.E.G. en artikel 127 van de Gelijkheidswet van 4 augustus 1978).

Als deel uitmakend van de “Staat” en als openbare dienst, moest de Stad Antwerpen ervan op de hoogte zijn dat het door haar gegeven ontslag onwettig was.

Door op 26 november 1990 over te gaan tot het betekenen van een opzegging op een ogenblik dat er reeds publiciteit was verleend aan het discriminerend karakter van de wetsbepalingen op dewelke verweerster zich steunde, zou verweerster rechtsmisbruik gepleegd hebben.

Verweerster zou nog vlug en juist voor het in voege treden van de wetsbepalingen die het discriminerend karakter van het artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet moest opheffen, gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid mits toepassing van de nog bestaande discriminerende nationale wetgeving om de arbeidsovereenkomst van eiseres te beëindigen. De Stad Antwerpen zou zelfs met kwade trouw gehandeld hebben omdat zij wist en ook schriftelijk erkende dat de nieuwe wetgeving betreffende het artikel 83 van de Arbeidsovereenkomstenwet vanaf1 januari 1991 van toepassing zou zijn en zij dus wist of moest weten dat deze verbeterende werking gebeurde omdat de oude bepaling strijdig was met de principes van gelijke behandeling, zodat het duidelijk enkel was om te ontsnappen aan de toepassing van de geregulariseerde en in overeenstemming gebrachte wetgeving, dat de Stad Antwerpen de opzeggingstermijn liet ingaan, juist één maand voor het inwerkingtreden van de nieuwe wet, die zij reeds sedert zijn publikatie in het Belgisch Staatsblad in augustus 1990 kende.

De Rechtbank is ter zake van oordeel dat het niet relevant is te weten of de Stad Antwerpen al dan niet bewust- toepassing heeft gemaakt van een bepaling uit het nationale recht, die duidelijk in strijd was met het Gemeenschapsrecht. Het toepassen van het nationaal recht kan volgens het Hof van Justitie immers niet als een schulduitsluitings- of rechtvaardigingsgrond ingeroepen worden om het Gemeenschapsrecht terzijde te schuiven (H.v.J., 8.11.1990 inzake C177/88, Dekker/Stichting V.J.V. Center Plus, geciteerd door H. GILLIAMS, “Het Hof van Justitie en de gelijke behandeling van man en vrouw 1988-90”, R.W., 1990-91, 1360; J. JACQMAIN, noot onder Arbh. Luik, 13 september 1990, 9 juli 1991, 9 januari 1992, Soc. Kron., 1992, 106).

Het Gemeenschapsrecht vereist m.a.w. dat de nationale rechter toepassing maakt van een stelsel van foutloze aansprakelijkheid, zonder mogelijkheid van rechtvaardiging. De schending van het Gemeenschapsrecht volstaat aldus om aansprakelijkheid mee te brengen.

Het nationaal recht voorziet echter in het geheel niet in enige schadevergoeding bij schending van het gelijkheidsbeginsel zoals dit zich in casu heeft voorgedaan.

Het Gemeenschapsrecht verlangt echter dat de door het nationaal recht gekozen sanctie een daadwerkelijke en doeltreffende rechtsbescherming verzekert en dat zij ten aanzien van degene die zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden discriminatie een echt afschrikkende werking heeft. (zie H. GILLIAMS, o.c., 1359)

De Rechtbank is ter zake van oordeel dat, wanneer de Gelijkheidswet niet in een schadevergoeding voorziet ten voordele van de persoon die het slachtoffer is geworden van een schending van het gelijkheidsbeginsel, de regel van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek kan toegepast worden.

Tot bewijs van de fout volstaat dan de inbreuk op het Gemeenschapsrecht, zonder rekening te houden met enige schuldvereiste.

Het slachtoffer van de discriminerende handeling moet dan nog wel schade bewijzen en het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade.

Wat de door eiseres geleden schade betreft is het zo dat een andere ongelijkheid die niet wordt opgeheven door de wet van 20 juli 1990 hierin bestaat, dat de sociale-zekerheidsectoren (met uitzondering van de pensioensector) ophouden vergoedingen uit te keren aan vrouwen vanaf 60 jaar (tegenover 65 jaar voor mannen). M.a.w. ook al heeft een vrouw onder de nieuwe wetgeving theoretisch het recht om haar pensioen niet aan te vragen wanneer zij 60 jaar wordt en (maximaal 5 jaar) verder te werken, in de praktijk een dergelijke beslissing tot gevolg heeft dat zij gedurende haar verlengde beroepsloopbaan niet langer beschermd wordt door de sociale zekerheid (b.v. werkloosheids- en ziekte- en invaliditeitsuitkeringen).

Naar het oordeel van de rechtbank is ook deze discriminatie verboden door de richtlijn 7917/E.E.G. (zie H. GILLIAMS, o.c., 1370; J. VAN LANGENDONCK, Handboek Sociaal Zekerheidsrecht, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen, 1988, p. 507).

In casu is eiseres ingevolge voormelde discriminerende maatregel praktisch verplicht haar vervroegd pensioen te nemen vanaf 1 januari 1992, tegen haar wil in, en tegen de bepalingen van de wet van 20 juli 1990, die de flexibiliteit van de pensioenleeftijd juist wilde instellen.

Dit heeft een verlies tot gevolg dat echter mathematisch onmogelijk te berekenen is, zodat de schade ex aequo et bono moet geraamd worden.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er een oorzakelijk verband tussen de fout die de Stad Antwerpen pleegde en de schade die daardoor veroorzaakt werd.

De Stad Antwerpen is dan ook gehouden tot betaling van een schadevergoeding, ex aequo et bono geraamd op 500.000 F.

Antwerpen 10 september 1992
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text