Taking too long? Close loading screen.
Home / cursus / Arbeidsrechtbank Gent 10 januari 1994

Arbeidsrechtbank Gent 10 januari 1994

/
/
59 Views

Arbeidsrechtbank Gent (2e k.), 10 I 1994

Zet. : H. Remue, voorz.; HH. Roovers en Lauwaet, recht. in soc. zaken.

Pleit.: MMrs De Coninck loco Van De Gehuchte en De Ganck.

(Vanhoutte Beatrijs t. Universitair Ziekenhuis Gent – A.R., nr 98762/91).

In feite.

Eiseres is in dienst getreden van de rechtsvoorganger van verwerende partij op 16 augustus 1971 in de hoedanigheid van gebreveteerde verpleegster.

Zij was tewerkgesteld in een systeem van bestendige nachtdienst op de psychiatrische kliniek.

Op 12 juni 1991 brengt eiseres ter kennis van verwerende partij : « Met dit schrijven laat ik. U weten dat ik mijn ontslag als verpleegkundige van de bestendige nachtdienst op de psychiatrische kliniek indien. Ik schik me naar de wettelijke normen van vooropzeg als bediende… ».

Op 20 juni 1991 brengt eiseres ter kennis aan de heer E. Engelbrecht, afgevaardigde-bestuurder, K.12 -11e verdieping, Universitair Ziekenhuis, Gent : « Hierbij heb ik de eer U mijn ontslag aan te bieden als gebreveteerde verpleegster bij het Universitair Ziekenhuis, dienst K 13 zulks met ingang van 1 januari 1992. De opzeggingsperiode loopt van 1 juli 1991 tot en met 31 december 1991 ».

Op 22 juli 1991 bericht de afgevaardigde-bestuurder E. Engelbrecht namens de Raad van bestuur aan eiseres « Als gevolg van ùw verzoek van 20 juni 1991 delen wij U mee dat U met ingang van 1 oktober 1991 ontslag wordt verleend als gebreveteerde verpleegster bij het Universitair Ziekenhuis… ».

Op 9 september 1991 maakt eiseres bij monde van haar raadsman aanspraak op een « verbrekingsvergoeding » van tenminste drie maanden.

Op 12 september 1991 deelt de afgevaardigdebestuurder aan eiseres mede dat als gevolg van haar verzoek van 20 juni 1991 met ingang van 1 januari 1992 haar ontslag wordt verleend. Tevens verzoekt hij eiseres de brief van 22 juli 1991 als nietig te aanzien.

Dit wordt door eiseres bij monde van haar raadsman geweigerd.

In rechte.

De dagvaarding op 31 oktober 1991…, strekt ertoe verwerende partij te horen veroordelen aan eiseres te betalen :

197.948 F hoofdens kontraktbreukvergoeding vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Partijen zijn het daaromtrent niet eens.

Op 20 juni 1991 heeft eiseres dan de arbeidsovereenkomst beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden aanvangend op 1 juli 1991.

Dit ontslag met inachtneming van een opzeggingstermijn werd ter kennis van verwerende partij gebracht door overhandiging van een geschrift.

Eiseres stelt dat lopende de opzeggingstermijn verwerende partij de arbeidsovereenkomst heeft verbroken doordat op 22 juli 1991 verwerende partij ter kennis brengt van eiseres dat op haar verzoek ontslag wordt verleend met ingang van 1 oktober 1991.

Verwerende partij daarentegen stelt dat zij door ,haar brief van 22 juli 1991 de arbeidsovereenkomst niet heeft beëindigd maar alleen de opzeggingstermijn heeft ingekort gelet op artikel 82, § 2, laatste lid, van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978.

Er bestaat geen betwisting nopens het feit dat het loon van eiseres minder dan 766.000 F per jaar beloopt.

Overeenkomstig artikel 82, § 2, laatste lid, van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 mag bij opzegging door de bediende de opzeggingstermijn de drie maanden niet te boven gaan.

De bepaling van een maximum opzeggingstermijn die van de bediende mag verwacht worden is een bepaling van politie en veiligheid in de zin van artikel 3 van het Burgerlijk Wetboek. De beperking tot drie maanden maximum van de opzeggingstermijn door de bediende in acht te nemen is derhalve van dwingend recht.

Evenwel brengt het geven van het ontslag met inachtneming van een hogere opzeggingstermijn niet de nietigheid van het ontslag noch de nietigheid van de opzegging met zich mede. De gegeven opzeggingstermijn moet alleen verminderd worden tot hetgeen bij de wet is toegelaten (vergelijk proefbeding).

Terecht heeft verwerende partij denvolgens kunnen vaststellen dat eiseres ontslag heeft gegeven tegen 1 oktober 1991, ook al is de vermelding dat op haar verzoek ontslag werd verleend per 1 oktober.1991 ongelukkig geformuleerd.

Immers doordat eiseres slechts een opzeggingstermijn van drie maanden maximum kon geven, overeenkomstig de dwingende wettelijke bepalingen, was hoe dan ook de arbeidsovereenkomst door de eenzijdige wilsuiting van eiseres de overeenkomst beëindigd op 1 oktober 1991.

Instemming door of verzet vanwege verweerster is hierbij totaal irrelevant.

De bepalingen van artikel 82 voornoemd zijn immers dwingend ten aanzien van beide partijen, zowel ten aanzien van de werknemer als ten aanzien van de werkgever.

Uit het feit dat eiseres een langere dan een door de wet toegelaten maximum opzeggingstermijn heeft gegeven kan zij geen rechten putten in betaling van een opzeggingsvergoeding ten aanzien van een parti] die de arbeidsovereenkomst niet, heeft beëindigd, doch enkel heeft vastgesteld dat de door eiseres gegeven opzeggingstermijn het wettelijk maximum had overschreden met drie maanden en daaruit terecht de gevolgtrekking afleidde dat de overeenkomst beëindigd werd per 1 oktober 1991.

Eiseres kan al evenmin aanspraak maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding uit hoofde van verlenging van de gegeven opzeggingstermijn wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst tijdens de gepresteerde opzeggingstermijn.

Immers indien de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt door opzegging door de bediende loopt deze termijn niettemin verder tijdens de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (art. 38, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978) voornoemd.

Dienvolgens is elke betwisting nopens een beëindiging na 1 oktober 1991 door verwerende partij om dringende reden zonder voorwerp, vermits hoe dan ook op die datum de arbeidsovereenkomst beëindigd was.

Om die redenen

De arbeidsrechtbank,

Verklaart de vordering toelaatbaar doch niet gegrond.

Arbeidsrechtbank Gent 10 januari 1994
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text