Taking too long? Close loading screen.
Home / cursus / Brussel 6 februari 1986

Brussel 6 februari 1986

/
/
59 Views

Arbrb. Brussel (12de k.), 6 februari 1986

Zet.: Mw Scheere, rechter; HH. Schuermans en De Vroey, recht. soc. zak.

Op. min.: Mw De Raeve, subst. arbeidsaud. (gelijkl.)

Pleit.: Mrs Schrooten en Votquenne

D’H.A. t/ n.v. R.X. (A.R. nr 54.493/85)

 

De vordering strekt ertoe verweerster zich vooraf te onderwerpen aan de poging tot minnelijke schikking voorzien door artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek, en in geval van niet-verzoening:

Verweerster te horen veroordelen om aan eiser te betalen

1. de som van 161.189 F saldo bezoldiging voor oktober 1984;

2. de som van 132.090 F verschuldigd verschil te weinig betaald van april tot en met september 1984 wegens contractueel coëfficiënt van 13,85 maanden;

3. de som van 87.500 F provisioneel wegens commissiebonus prorata;

4. de som van 53.309 F vakantiegeld 1984-1985 op voormelde bedragen;

5. de som van 2.053.432 F saldo verbrekingsvergoeding;

6. de som van 1.375.062 F schadevergoeding voor willekeurige afdanking;

al deze sommen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf hun respectievelijke vervaldata en/of gemiddelde vervaldatum en met de gerechtelijke rente vanaf de datum van betekening van de dagvaarding;

verder tot veroordeling van verweerster om aan eiser afgifte te doen van de bijhorende sociale en fiscale documenten op straffe van een dwangsom van 5.000 F per dag vertraging vanaf de door de Rechtbank gestelde datum van uiterlijke afgifte;

alsook tot betaling van de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien door artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zijnde 5.400 F;

het vonnis uitvoerbaar te verklaren, spijts alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement. Verweerster betwist deze vordering, meer bepaald wat betreft

1. het loon van de maand oktober: daar eiser voor die maand het loon bekwam waarop hij gerechtigd is, namelijk tot op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

2. het achterstallig loon april tot september 1984: daar de overeengekomen wedde werd uitbetaald;

3. de prorata.an de bonus: daar:

a) het beoogde zakencijfer niet gerealiseerd was,

b) dergelijke premie uiteraard ondeelbaar is;

4. de verbrekingsvergoeding: daar de uitbetaalde vergoeding, overeenstemmende met 3 maandwedden, voldoende is; zij betwist ook de hoegrootheid van het basisloon, zoals door eiser begroot;

5. de schadevergoeding voor willekeurige afdanking: daar zij geen misbruik heeft gemaakt van het ontslagrecht, en eiser geen schade bewijst wel niet door de forfaitaire vergoeding zou zijn gedekt.

Eiser integendeel stelt:

– dat het hier, niet gaat om een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, doch om een opzegging en deze eerst uitwerking kan hebben de eerste dag van de daarop volgende maand;

– dat de wedde bepaald werd op 142.800 F x 13,85, en dit globaal jaarbedrag door 12 moet gedeeld worden om een maandbedrag te bekomen;

– dat het beoogd zakencijfer bereikt werd en eiser dus recht heeft op totaal voorzien bedrag van 250.000 F;

– dat op dit alles vakantiegeld verschuldigd is;

– dat de verbrekingsvergoeding moet vastgesteld worden op 12 maandwedden, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van de aanwerving en het ontslag;

– dat het ontslag willekeurig was, wederom gelet op de aanwerving en de aard van het werk, dat normalerwijze een meerjarenplan veronderstelde, terwijl in werkelijkheid afgedankt werd toen eiser “zijn voornaamste bouwstenen had bijgedragen” en de aangegeven reden (onvoldoende resultaat) fictief was; dat de schade 6 maandwedden bedraagt.

Eiser verhoogt volgende punten van de eis :

– bonus: 250.000 F,

– vakantiegeld: 76.059 F,

– verbrekingsvergoeding: 2.155.428 F,

– schadevergoeding willekeurige afdanking 1.425.060 F;

de kosten worden geschat op: dagvaarding 3.126 F en rechtsplegingsvergoeding op 5.580 F.

Verweerster blijft bij haar standpunt, dat zij verder uiteenzet, met cijfers toelicht en motiveert.

In aanvullende conclusies geeft eiser een andere lezing van het cijfermateriaal; subsidiair biedt hij aan met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, te bewijzen: “dat de verkoop van elektronische schrijfmachines behoorde tot het sales-pakket van de heer Aimé D’H. en dat die verkopen mee dienen. gerekend in het omzetcijfer dat te zijnen opzichte werd vastgesteld voor het verkrijgen van een contractuele bonus”.

FEITEN

Nadat eiser, die tewerkgesteld was als “sales-manager” bij B.T. op een krantenadvertentie, geplaatst door verweerster en verschenen op 21 januari 1984, was ingegaan bij schrijven van 22 januari, werd hij opgeroepen door R.X. en hadden meerdere gesprekken plaats, waarna hij bij laatstgenoemde maatschappij aangeworven werd, dit evenwel niet in de functie die oorspronkelijk voorzien was (national sales-manager voor microcomputers) doch in deze van “national salesmanager voor . Systems Business Products” (uitgezonderd Electronic Printing); in deze “S.B.P.” waren o.m. de microcomputers begrepen.

Dit werd bevestigd in een schrijven van verweerster van 6 maart 1983; hier worden reeds de voornaamste arbeidsvoorwaarden vastgelegd, te weten:

1) de functie: zoals hoger vermeld;

2) het salaris: 140.000 F (index 180,38) x 13,85 per jaar;

3) mealchecks ter waarde van 5.000 F per maand;

4) een firmawagen van het niveau Branch Manager;

5) een jaarbonus gebaseerd op het geplande zakencijfer (125.000.000 BF in 1984) als volgt verdeeld:

– van 90% tot 99% realisatie: 150.000 F,

– vanaf 100% realisatie: 250.000 F;

6) géén proefperiode te presteren.

In die zin werd een arbeidsovereenkomst opgesteld en ondertekend daags nadien, 7 maart 1984 dus; de datum van indiensttreding wordt bepaald op 1 april 1984; de “vaste maandelijkse bezoldiging” wordt dus vastgesteld op bruto 142.800 F aan indexcijfer ANPKB: 183,99, terwijl de “jaarlijkse commissie” niet geïndexeerd zal worden; de categorie ANPKB is bepaald op V.

Bij brief van 1 oktober 1984, door eiser “voor ontvangst” getekend, heeft verweerster medegedeeld “…dat wij een einde moeten stellen aan uw arbeidsovereenkomst aangegaan op 1 april 1984. De reden van deze beslissing ligt in het feit dat géén resultaten behaald werden waardoor de activiteit waarvoor U verantwoordelijk was, verlieslatend is. Wij stellen een einde aan uw arbeidscontract op 5 oktober 1984 mits betaling van een compenserende ontslagvergoeding van 3 maand salaris. Berekening… Wij verzoeken U dan ook uiterlijk op 5 oktober 1984 uw wagen en de Micro 820-II terug aan het bedrijf te willen overmaken…”.

In een brief van 3 oktober heeft verweerster gelet op eisers “houding tegenover de maatschappij sinds vrijdag 28 september” de verbreking van de overeenkomst vervroegd en vastgesteld op “heden, 3 oktober 1984 te 12.30’”.

Eiser was het niet eens met deze gang van zaken en op niet vermelde datum heeft hij door bemiddeling van zijn advocaat meerdere vorderingen ingesteld.

Daar verweerster deze verwierp, heeft eiser op 6 maart 1985 een dagvaarding aan verweerster doen betekenen.

IN RECHTE

1. Het loon over oktober

Het staat vast dat eiser slechts tot 3 oktober gewerkt heeft. Op die dag “om 12.30’” was de arbeidsovereenkomst beëindigd.

Er bestaat derhalve geen aanleiding toe een “loon” toe te kennen voor de periode nadien.

Een verwijzing naar de datum van “uitwerking van een ontslag” is niet dienend; het gaat hier immers niet om een ontslag, wel om een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met compenserende vergoeding. De “uitwerking” hiervan is onmiddellijk, zowel in rechte als in feite.

2. Aanpassing loon

Het vast bruto-maandloon is wel degelijk vastgesteld om 142.800 F aan indexcijfer 183,99; dit is duidelijk en ondubbelzinnig overeengekomen in het schriftelijk contract van 7 maart 1984.

Overigens is dit geenszins tegenstrijdig met de voorwaarden uit de aanwervingsbrief; het salaris is immers bepaald “op 140.000 BF (index 180,38) x 13,85 per jaar”.

De betekenis daarvan ligt voor de hand: het volledig “jaarloon” bedraagt immers niet alleen het “brutomaandloon” en het enkel vakantiegeld, maar bovendien een dertiende maand (x 12 + 1 = x 13) en het dubbel vakantiegeld.

Dit nu wordt gebruikelijk, ook door de Rechtbanken, voor het vaststellen van het “basisloon” berekend aan 0,85, wat bekomen wordt als volgt

– artikel 38 van het K.B. van 30 maart 1967, zoals gewijzigd door het K.B. van 2 april 1970, kent, benevens de “gewone bezoldiging” in overeenkomst met de vakantiedagen (enkel vakantiegeld genoemd) en waardoor dus een vermenigvuldigen met 12 van het maandloon, “per maand in de loop van het vakantiedienstjaar gepresteerde of daarmee gelijkgestelde dienst een toeslag toe, die gelijk is aan 1/16 van de brutowedde der maand waarin de vakantie ingaat”, het “dubbel vakantiegeld”;

om het “volledig jaarloon” – met inbegrip dus van vakantiegeld – te berekenen, neemt men echter het laatste brutomaandloon in aanmerking;

– de collectieve arbeidsovereenkomst nr 20 van 29 januari 1976, gewijzigd door de C.A.O. van 3 maart 1977 afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, kent een bijkomend “dubbel vakantiegeld” toe, dat berekend wordt aan 2/15 van het wettelijk “dubbel vakantiegeld”.

Bij een tewerkstelling over een volledig jaar bereikt het “dubbel vakantiegeld” dus 12/16 van het brutomaandloon en daarop, 2/15, wat neerkomt op 0,85 van het in aanmerking te nemen bruto-maandloon.

Verweerster heeft het loon berekend zoals overeengekomen en eiser heeft dit loon ontvangen.

Er is niets méér verschuldigd, dit onder voorbehoud van hetgeen hierna onder 3. zal worden uiteengezet.

3. De bonus

Nochtans voorziet de arbeidsovereenkomst, benevens het vast salaris, een jaarbonus bij bereiken van een vooraf vastgesteld zakencijfer.

Voor 1984 was dit zakencijfer vastgesteld op 125.000.000 BF.

Partijen zijn het erover eens dat genoemd “zakencijfer” moest bekomen worden in de sector waarover eiser de “managing” uitoefende, namelijk de “business products” (electronic printing uitgezonderd).

Verweerster heeft een document overgelegd, waaruit dit zakencijfer moet blijken.

Partijen zijn het eens over de betekenis van de codenummers.

Aldus heeft “electronic printing” het codenummer C10.

De Rechtbank stelt vast dat het door verweerster medegedeelde document de “SBD profit loss account” bevat en deze “gedrukt” werd op 13 november 1984 (het boekjaar zou namelijk in november ingaan).

Welnu, indien men de cijfers neemt en hiervan uitsluit deze voorkomend onder C10, dan bekomt men een “zakencijfer” van 2.687.000 dollar, wat neerkomt gelet op de conventioneel bepaalde omzetting x 50, op 134.350.000 BF.

Uit dit document moet dan ook afgeleid worden dat in het boekjaar november 1983 tot november 1984 een “zakencijfer” bereikt werd dat het gestelde objectief overtreft.

Weliswaar komt verweerster niet tot eenzelfde cijfer, wat hieraan te wijten is dat zij ook andere produkten (codenummers) uit de berekening uitsluit. Zij bewijst echter niet dat deze behoren tot de “electronic printing”, dit zijnde het enige dat uit de aan eiser toegewezen groep SBD-produkten werd uitgesloten.

Het weze overigens herhaald dat de “electronic printing” voorkomt onder C10. De door verweerster zelf medegedeelde documenten doen er derhalve in voldoende mate van blijken dat op 13 november 1984 het beoogde zakencijfer bereikt werd; verdere onderzoeksmaatregelen zijn overbodig.

Het komt verder niet dienend voor dat eiser eerst op 1 april 1984 in dienst kwam, daar immers het bereiken van het zakencijfer voor 1984 bepaald werd, zonder verdere beperking wat hierbij de inbreng of tewerkstelling van eiser betreft.

Eiser heeft recht op de contractueel bepaalde bonus van 250.000 F.

Deze is inderdaad ondeelbaar en dus in zijn geheel verschuldigd.

4. Het vakantiegeld

Op deze bonus is vakantiegeld verschuldigd, hetzij 250.000 F x 14% = 35.000 F.

5. De verbrekingsvergoeding

Vermits verweerster de arbeidsovereenkomst éénzijdig en onmiddellijk verbroken heeft, zonder dringende reden, is zij ertoe gehouden, overeenkomstig artikel 39, par. 1, van de wet op de arbeidsovereenkomsten, aan eiser een vergoeding uit te keren die overeenstemt met het lopend loon en de krachtens de arbeidsovereenkomst genoten voordelen, over de opzeggingstermijn die zij had moeten in acht nemen.

Het basisloon per jaar moet worden vastgesteld als volgt:

– vast loon, dertiende maand en dubbel vakantiegeld inbegrepen 142.800 F x 13,85 = 1.977.780 F

– bonus: 250.000 F

– vakantiegeld daarop: 35.000 F

– voordelen in natura:

– privé-gebruik firmawagen: het gaat om het gebruik van een wagen klas V (Mercedes, Volvo, BMW) waarvoor eiser een vergoeding betaalde van 2.600 F per maand; dit is kennelijk minder dan het werkelijk voordeel, hetwelk door eiser op 10.000 F per maand wordt geschat. Dit bedrag komt niet overdreven voor; hierop moet echter de 2.600 F in mindering worden gebracht, wat het “voordeel” uiteindelijk brengt op 10.000 F – 2.600 F = 7.400 F

per maand, hetzij per jaar: 88.800 F

– maaltijdcheques voor een totaal bedrag van 5.000 F per maand.

Dit komt niet overdreven voor tot het dekken van de bijzondere “maaltijdkosten” die eiser, belangrijk kaderlid, ongetwijfeld had.

Dit bedrag moet dan ook als een terugbetaling van onkosten worden beschouwd.

In totaal bedraagt dus het basisjaarloon: 2.351.580 F Voor het vaststellen van de opzeggingstermijn houdt de Rechtbank rekening met

– enerzijds de ancienniteit: 6 maanden.

De ancienniteit verworven bij vorige werkgevers kan niet in aanmerking genomen worden, vermits deze niet overgenomen werd; wel zal hierover worden gehandeld onder punt 6 hierna.

– anderzijds de mogelijkheid een gelijkwaardige betrekking te vinden, zoals deze kan geëvalueerd worden op grond van

– de leeftijd: 48 jaar (zelfde als bij de indiensttreding),

– de functie: “national manager”, en

– het loon: 2.351.580 F per jaar, alles inbegrepen. Met de overige, bijzondere omstandigheden van het geval kan hier evenmin rekening gehouden worden; eventueel wel onder punt 6, zoals hierna zal worden besproken en beslecht.

Rekening houdend met deze criteria, stelt de Rechtbank de opzeggingstermijn vast op vijf maanden.

De vergoeding moet derhalve bepaald worden op 2.351.580 F x 5/12 = 979.825 F.

Verweerster heeft slechts betaald: 696.692 F.

Dit deel van de eis is gegrond tot een bedrag van 979.825 F – 696.692 F= 283.133 F.

6. De willekeurige afdanking

Onder “willekeurige afdanking” (begrip ten onrechte ontleend aan de wetgeving inzake arbeidsovereenkomsten voor arbeiders, hier niet van toepassing) bedoelt eiser blijkbaar: het misbruik van recht.

Eiser haalt uitvoerig de bijzondere omstandigheden aan waarin hij werd aangeworven en ontslagen.

Hij neemt deze omstandigheden tweemaal in aanmerking, éénmaal om een hogere opzeggingstermijn te vorderen, en éénmaal om een schadevergoeding te vorderen voor “willekeurig ontslag”.

Dit kan niet.

Vermits de Rechtbank echter hiermede geen rekening heeft gehouden wat de beslissing omtrent de verbrekingsvergoeding betreft, kan zij deze omstandigheden thans wel in overweging nemen.

Uit hoger uiteengezette “feiten” en de overgelegde documenten blijkt dat eiser weliswaar het initiatief tot bekomen van een tewerkstelling bij R.X. nam. Nochtans heeft hij hierin slechts toegestemd na meerdere besprekingen, duidelijk overtuigd door het merkelijk hoger salaris voor een vrijwel gelijkaardige verantwoordelijkheid als deze die hij bij B.T. had.

Dat eiser “niet meer zo tevreden was bij B.T.” kan wel een zeker gewicht gelegd hebben in de schaal, maar dan één van relatief weinig belang. Verder is de toen aan eiser aangeboden functie van die aard dat zij zich normaal over een vrij belangrijke periode uitstrekt: iets nieuws oprichten, organiseren en uitbouwen tot een reuzesucces – wat steeds, en in dit geval uitdrukkelijk verwacht wordt – dit met mensen die nog moeten opgeleid worden, vraagt uiteraard een vrij lange periode.

Verweerster, die bewust eiser heeft aangeworven om zijn aanzienlijke ervaring van management in die bepaalde sector (zie trouwens verklaring van directeurgeneraal V. in een persinterview: “…Ik heb ze trouwens weggehaald van bij onze bekendste concurrenten…” stuk 16, F. I, eiser), doch naliet de aldus kostbare anciënniteit in de arbeidsovereenkomst over te nemen als zodanig, heeft eiser niet de kans gegeven de hem gegeven opdracht waar te maken, doch deze na een periode van slechts zes maanden afgebroken.

De hiertoe aangehaalde reden, dat de sector “verlieslatend was”, zou, na zo korte periode en in de omstandigheden van werkelijk “aan de grond” te moeten beginnen (en volgens eiser in ongunstige omstandigheden: stuk 31 en stuk 32, met bijlagen, kaft II) niet fair zijn; bovendien blijkt die “reden” in deze inderdaad “fictief”, nu in de aan eiser toegewezen SBD-sector in 1984 een “zakencijfer” van 134.350.000 F bekomen werd, wat het streefcijfer voor dat jaar zelfs overtrof.

In deze omstandigheden komt de vroegtijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor als een misbruik van recht door verweerster, die namelijk ” onbetamelijk” gehandeld heeft, geenszins zoals een “weldenkend mens in die situatie” zou doen.

Wat de door eiser geleden schade betreft, het is juist dat deze voortvloeiend uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedekt is door de forfaitaire vergoeding.

Nochtans heeft eiser hier wel een. specifieke, hiervan onderscheiden, schade geleden, namelijk door het zien verloren gaan van zijn bij B.T. verworven anciënniteit, welke nochtans, zoals reeds vermeld, verweerster ertoe gebracht had eiser aan te werven om op die manier succesvol met een nieuwe sector – althans een deel ervan – te kunnen starten; verder door het vroegtijdig afbreken van een loopbaan of minstens een specifieke taak die was voorgesteld, en trouwens uiteraard bestemd, was, voor een periode van minstens een paar jaar.

De Rechtbank stelt de schade vast, naar billijkheid, op een bedrag van 1.000.000 F, wat overeenkomt met bijna zes maandwedden.

7. De sociale documenten

Verweerster is ertoe gehouden de aan dit vonnis aangepaste sociale en fiscale documenten af te leveren. Zij betwist de vordering tot opleggen van een dwangsom bij laattijdige afgifte niet.

De Rechtbank stelt de uiterste termijn voor aflevering van de documenten vast op 14 dagen na de betekening van dit vonnis en de dwangsom op 5.000 F per dag vertraging.

Eiser heeft evenwel nagelaten de gevraagde “sociale en fiscale documenten” te specifiëren.

8. De interesten

De wet voorziet niet dat van rechtswege interesten verschuldigd zijn op vakantiegeld, ook niet op een schadevergoeding uit hoofde van rechtsmisbruik.

Brussel 6 februari 1986
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text