Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / CAO van 4 december 2014 uitzendarbeid in het Bouwbedrijf

CAO van 4 december 2014 uitzendarbeid in het Bouwbedrijf

/
/
22 Views

CAO van 4 december 2014


Vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van de uitzendarbeid in het Bouwbedrijf

Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers van de onder­nemingen die ressorteren onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf en op de arbeiders die zij tewerkstellen.
In deze CAO verstaat men onder:
  • arbeiders: de arbeiders en arbeidsters;
  • fbz-fse Constructiv: het Fonds voor Bestaans­zekerheid van de Werklieden uit het Bouwbe­drijf – fbz-fse Constructiv;
  • navb-cnac Constructiv: het Nationaal Actie­comité voor Veiligheid en Hygiëne in het Bouwbedrijf – navb-cnac Constructiv.
Voor de toepassing van deze collectieve arbeids­overeenkomst worden met werknemers gelijkge­steld de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon. Worden met werk­gevers gelijkgesteld, de personen die de hierboven genoemde met werknemers gelijkgestelde perso­nen tewerkstellen.

 

Hoofdstuk 2. Gevallen waarin uitzendarbeid toegelaten is in het bouwbedrijf
Artikel 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst stelt de voorwaarden en de modaliteiten vast waar­bij uitzendarbeid in het bouwbedrijf toegelaten is en bepaalt de voorwaarden waaraan de gebruikers moeten voldoen.
 
Artikel 3. Uitzendarbeid is in het bouwbedrijf enkel toegelaten in de volgende drie gevallen:
  • bij vervanging van een werkonbekwame vaste arbeider die met een arbeidsovereenkomst verbonden is met een onderneming bedoeld in artikel 1 van deze CAO;
  • bij tijdelijke vermeerdering van het werkvolu­me.
  • bij invulling van een vacante betrekking bij de gebruiker met de bedoeling om na afloop van de periode van terbeschikkingstelling de uitzendkracht vast in dienst te laten nemen door de gebruiker voor diezelfde betrekking (instroom)
In ieder geval dient de gebruiker er op toe te zien dat de uitzendkracht een attest (veiligheidspas) kan voorleggen waaruit blijkt dat hij een veilig­heidsopleiding heeft genoten van ten minste 16 uur.
Het programma voor deze veiligheidsopleidingen wordt opgesteld en het attest wordt afgeleverd door navb-cnac Constructiv.
Dit attest is niet vereist voor de uitzendkrachten die reeds in het bezit zijn van een attest afgeleverd door of door navb-cnac Constructiv conform ver­klaard, dat afgeleverd werd bij het einde van hun leertijd of die ten minste 5 jaar ervaring hebben in de bouwsector in de laatste 15 jaar of die het be­wijs kunnen voorleggen dat zij reeds een veilig­heidsopleiding “bouw” hebben genoten.
Daarenboven moet de uitzendkracht in het bezit zijn van een C 3.2 A werkloosheidsdocument dat afgeleverd werd door fbz-fse Constructiv op naam van het uitzendkantoor en door hen vervolledigd wordt met de naam en het adres van de uitzend­kracht.
Commentaar

Onderhavige CAO geldt als verduidelijking van de beperkingen en voorwaarden vastgelegd in de CAO nr 108 van de Nationale Arbeidsraad van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid. Overeenkomstig de bepalingen van deze CAO kunnen de onderneming bedoeld in artikel 1 van deze cao enkel beroep doen op uitzendkrachten in de drie opgesomde gevallen.

 

De beperkingen op het gebruik van uitzendarbeid in de ondernemingen bedoeld in artikel 1 van deze CAO zijn ingegeven door veiligheidsoverwegingen als bescherming van de uitzendkracht. Zo is het noodzakelijk dat de uitzendkracht een attest kan voorleggen waaruit blijkt dat hij een veiligheidsopleiding bouw heeft gevolgd. Het programma van deze veiligheidsopleidingen wordt opgesteld door het sectoraal instituut voor de veiligheid en de preventie in de bouwsector “navb-cnac Constructiv”.

De statistieken arbeidsongevallen tonen aan dat de ongevallen zich vooral situeren in sectoren waar voornamelijk handenarbeid wordt verricht. Arbeiders die actief zijn in de bouwsector en de uitzendsector lopen een groter risico op arbeidsongevallen dan arbeiders tewerkgesteld in andere minder arbeidsintensieve sectoren.

Bovendien tonen dezelfde statistieken aan dat uitzendkrachten twee keer meer kansen hebben op een arbeidsongeval dan een vaste arbeider. Zo lag in 2012 het aantal arbeidsongevallen bij de uitzendkrachten op 129 voor 1000 uitzendkrachten terwijl het aantal arbeidsongevallen amper op 64 voor 1000 arbeiders ligt bij de bedrijven van de privé sector zonder uitzendkrachten.

Deze vaststellingen rechtvaardigen het nemen van bijzondere maatregelen ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de uitzendkrachten.

  • 1. De vervanging van een werkonbekwame vaste arbeider
Artikel 4. Wanneer een vaste arbeider arbeidson­geschikt is, wegens ziekte of ongeval, zwanger­schap, een arbeidsongeval of een beroepsziekte, kan hij vervangen worden, binnen de 12 maanden na aanvang van de werkonbekwaamheid, voor de duur van deze werkonbekwaamheid door een uit­zendkracht.
De werkgever dient deze vervanging mee te delen aan de syndicale afvaardiging van de onderne­ming.
Wanneer de arbeidsongeschiktheid van de vaste arbeider een einde heeft genomen en de betrokke­ne het werk hervat op basis van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst, deelt de werkgever dit mede aan de syndicale afvaardiging. In dit geval neemt de overeenkomst met de uitzendkracht een einde.
  • 2. Uitzendarbeid bij een tijdelijke vermeerdering van het werkvolume
Artikel 5. Bij tijdelijke vermeerdering van het werk­volume, kan de werkgever een beroep doen op uit­zendarbeid indien hij daaromtrent de toestemming heeft van de meerderheid van de syndicale afvaar­diging van de onderneming. Bij ontstentenis van een syndicale afvaardiging, dient het uitzendkan­toor aan het Sociaal Fonds van de uitzendarbeid te melden dat er een beroep wordt gedaan op uit­zendarbeid.
De toestemming van de syndicale afvaardiging heeft betrekking zowel op het aantal betrokken werknemers als op de periode gedurende welke de uitzendarbeid zal worden uitgeoefend, rekening houdend met de bepalingen van artikel 9.
  • 3. Uitzendarbeid bij invulling van een vacante betrekking bij de gebruiker met de bedoeling om na afloop van de periode van terbeschikkingstelling de uitzendkracht vast in dienst te laten nemen door de gebruiker voor diezelfde betrekking (instroom).
Artikel 6. Bij uitzendarbeid met het oog op het invullen van een vacante betrekking met de bedoeling om na afloop van de periode van terbeschikkingstelling de uitzendkracht vast in dienst te laten nemen door de ondernemingen bedoeld in artikel 1, kan de werkgever een beroep doen op uit­zendarbeid indien hij de vakbondsafvaardiging heeft geïnformeerd en geraadpleegd vooraleer een beroep wordt gedaan op het motief instroom
Die informatieverstrekking en raadpleging hebben betrekking op de motivering om een beroep te doen op dat motief, op de betrokken werkpost(en) en op de betrokken functie(s) die duidelijk moeten worden beschreven.
Onverminderd is de werkgever ertoe gehouden om aan de syndicale afvaardiging de informatie te bezorgen vermeld in artikel 22 en 26 van CAO 108 van de Nationale Arbeidsraad van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid die voorziet in bijzondere voorwaarden en modaliteiten die in acht moeten genomen worden wat de duur en de procedure van uitzendarbeid in het kader van tijdelijke vermeerdering van het werkvolume betreft.

 

Hoofdstuk 3. Voorwaarden waaraan de onderneming moet voldoen

Artikel 7. Opdat een werkgever van een onderne­ming een beroep kan doen op uitzendkrachten, ter beschikking gesteld door een uitzendkantoor bouw, dient hij te ressorteren onder het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf.
Bovendien dient deze onderneming aan te tonen dat de voorwaarden betreffende de toegang tot het beroep in voorkomend geval vervuld zijn volgens de bepalingen van het KB van 29 januari 2007.
Deze onderneming mag ook niet het voorwerp uit­maken van een inhoudingsplicht zoals bepaald door het artikel 30bis, § 4, 1ste lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappe­lijke zekerheid der arbeiders en het artikel 403, § 1 van het Wetboek van Inkomstenbelasting 1992.

De bouwondernemingen kunnen enkel een beroep doen op een bouwuitzendkantoor dat op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst in het bezit is van de vereiste gewestelijke erkenning als uitzendkantoor, zo deze erkenning voorgeschreven is. De overeenkomst tussen het bouwuitzendkantoor en de bouwonderneming vermeldt het erkenningsnummer van het uitzendkantoor.

Voor de toepassing van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 400 e.v. van het Wetboek van Inkomstenbelasting 1992 heeft het bouwuitzendkantoor dat uitzendkrachten ter beschikking stelt van een bouwonderneming voor het uitvoeren van werken in onroerende staat, de hoedanigheid van onderaannemer van die bouwonderneming.
Artikel 8. Bovendien kunnen de bouwondernemingen enkel een beroep doen op een bouwuitzendkantoor die over een aparte juridische structuur beschikt en die erkend is door de bevoegde overheden om uitzendactiviteiten in de bouwsector te verrichten.
Commentaar

Uit bepaalde studies over de instroom en uitstroom voor de bouwsector, uitgevoerd op vraag van de sociale partners uit de bouwsector, zijn er opmerkelijke vaststellingen gemaakt die rechtvaardigen dat de uitzendbedrijven actief in de bouwsector over een aparte juridische structuur dienen te beschikken. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om de instroom en uitstroom opnieuw in evenwicht te krijgen en de situatie van de arbeidsmarkt binnen de bouwsector, en meer bepaald het aantal jongeren tewerkgesteld in de bouwsector via een uitzendkantoor, te verbeteren.

 

Uit deze studies is gebleken dat de bouwsector een opmerkelijk hoog niveau van uitstroom kent. Onder uitstroom verstaan we het verloop van bouwvakarbeiders die na een bepaalde periode niet meer actief zijn in de bouwsector.

Tussen 2011 en 2012 hebben 14% (ongeveer 23.000 arbeiders) van de bouwvakkers de bouwsector verlaten. De trend van de uitstroom voor de sector is sinds de laatste jaren in stijgende lijn. Indien we naar bepaalde sub-sectoren van de bouwsector kijken, stijgt het uitstroom percentage tot meer dan 22%.

 

Het is duidelijk dat vooral jongere bouwvakarbeiders de bouwsector verlaten. Het grootste aandeel ligt bij de bouwvakkers tot 30 jaar. Deze studie toont ook duidelijk aan dat er twee grote sectoren van bestemming zijn voor de sectorverlaters: bijna 40% van hun komen terecht bij de werkloosheid en bijna 20% van hun komen terecht bij de uitzendsector.
Indien we de vergelijking maken tussen de instroom en de uitstroom voor de sector merken we dat de bouwsector een dalend instroom percentage kent en een stijgend uitstroom percentage. De instroom is gedaald van ongeveer 14% in 2004 tot minder dan 13% in 2011. De uitstroom integendeel is gestegen van 11% in 2004 tot bijna 14% in 2011.   Waar se sector in 2004 de uitstroom kon compenseren met een hogere percentage van instroom is sinds 2011 niet meer het geval.
Indien we de cijfers op een cumulatieve wijze bekijken stellen we vast dat van de bijna 160.000 bouwvakkers die in 2007 actief waren in de bouwsector er in 2012 nog maar 102.000 bouwvakkers actief zijn. Bijna 36% of 58.000 bouwvakkers heeft sindsdien de bouwsector verlaten.
Deze vaststellingen tonen aan dat er een absolute nood is om de uitstroom voor de bouwsector tegen te gaan en alles in het werk te stellen om de instroom in de sector te verhogen om zo de situatie van de arbeidsmarkt in de sector te verbeteren.
Uit deze vaststelling van instroom en uitstroom percentage en uit het feit dat de uitzendsector, na de werkloosheid, de grootste sector van bestemming is voor de sectorverlaters willen de sociale partners dat uitzendbedrijven actief in de bouwsector over een aparte juridische structuur beschikken.   Op die manier streven de sociale partners naar een hoger instroom en een verbetering van de arbeidsmarkt binnen de bouwsector.
Artikel 9. Uitzendarbeid is slechts mogelijk in de normale functies van de normale activiteit van de bouwonderneming en volgens de bepalingen van het arbeidsreglement met inbegrip van de daarin vermelde uurregelingen, eventueel impliciet gewij­zigd door een overeenkomst inzake de arbeidstijd­organisatie, gesloten overeenkomstig de bepalin­gen van de CAO nr. 42 van de Nationale Arbeids­raad of via de toetreding tot het sectoraal stelsel van de flexibele arbeidsweek.
De normale activiteit van de onderneming wordt o.a. bepaald door statuten van de onderneming, de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemin­gen (KBO).
In ieder geval, een functie die kadert in de geregle­menteerde beroepen kan enkel ter beschikking ge­steld worden van een gebruiker die de voorwaar­den van toegang tot het beroep bezit.
Controle op de bepaling inzake de normale activi­teit wordt uitgevoerd door de lokale werkgevers­organisaties volgens de modaliteiten uitgewerkt door de Raad van Bestuur van fbz-fse Constructiv.
Artikel 10. Voor de ondernemingen die meer dan 10 arbeiders tewerkstellen op het ogenblik van de aanvraag voor uitzendkrachten, is het aantal dag­prestaties dat door uitzendkrachten, in het kader van de tijdelijke vermeerdering van het werkvolu­me, kan worden gepresteerd beperkt. Het maxima­le aantal toegelaten dagprestaties bedraagt 10% van de totale werkbare mandagen van het vooraf­gaande kalenderjaar.
Het aantal werkbare mandagen is het resultaat van de formule:
(aantal arbeiders x het aantal maanden ingeschre­ven in de onderneming) gedeeld door 12 en ver­menigvuldigd met 219. Elke begonnen maand wordt beschouwd als een volledige maand.
Artikel 11. De arbeidsovereenkomst voor uitzend­arbeid die wordt gesloten tussen een bouwbedrijf en het uitzendkantoor bouw kan geen prestaties omvatten voor slechts één dag.
In het kader van de tijdelijke vermeerdering van het werkvolume mag een uitzendkracht maximaal 6 maanden tewerkgesteld worden als uitzend­kracht in dezelfde onderneming.
Commentaar

Artikel 10 en 11 van deze CAO zijn genomen in uitvoering van artikel 11 van CAO nr 108 van de Nationale Arbeidsraad van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid die voorziet in bijzondere voorwaarden en modaliteiten die in acht moeten genomen worden wat de duur en de procedure van uitzendarbeid in het kader van tijdelijke vermeerdering van het werkvolume in ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren.

Meer bepaalt voorziet artikel 11, § 1 CAO nr 108 van de Nationale Arbeidsraad van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid in het verbod van afsluiten van dagcontracten tussen het uitzendkantoor en de uitzendkracht.

Artikel 11, §2 van dezelfde CAO voorziet dat de duur van de tewerkstelling van de uitzendkracht in de bouwsector in hetzelfde bouwbedrijf geen zes maanden mag overschrijden.
Artikel 12. Overeenkomstig de bepalingen van de CAO nr. 53 van de Nationale Arbeidsraad van 23 februari 1993 kan in geval van tijdelijke werk­loosheid in de onderneming geen beroep gedaan worden op uitzendkrachten voor het werk dat nor­maal verricht wordt door de werknemers die tijde­lijk werkloos gesteld zijn.
Bij collectief ontslag in de onderneming kan deze geen beroep doen op uitzendkrachten binnen een termijn van 6 maanden volgend op dit collectief ontslag.
Artikel 13. Een bouwonderneming kan een arbei­der niet als uitzendkracht tewerkstellen indien hij in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag, door deze onderneming werd ontslagen.
Artikel 14. De bepalingen van het KB van
19 februari 1997 tot vaststelling van de maatrege­len betreffende de veiligheid en de gezondheid op het werk van uitzendkrachten zijn onverkort van toepassing.
Meer bepaald, moet de gebruiker vóór de terbe­schikkingstelling van een uitzendkracht, aan het uitzendkantoor bouw een nauwkeurige omschrij­ving geven van de verlangde beroepskwalificatie en de specifieke kenmerken van de in te nemen werkpost, evenals van het resultaat van de aan het uit te voeren werk verbonden risicoanalyse be­doeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en haar uitvoeringsbesluiten.
Meer bepaald dienen de uitzendkrachten over de­zelfde werkkleding en de gepaste persoonlijke be­schermingsmiddelen te beschikken als de andere werknemers die aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn, zodanig dat de uitzendkracht hetzelfde niveau van bescherming geniet als de andere werknemers van de onderneming.
De verantwoordelijkheid voor het leveren en het behoud in gebruiksklare staat van de werkkleding en de gepaste persoonlijke beschermingsmiddelen ligt bij de gebruiker bij wie de uitzendkracht ter be­schikking wordt gesteld.
De gebruiker die uitzendkrachten tewerkstelt zal bij een arbeidsongeval van de uitzendkracht de wette­lijke verplichte meldingen verrichten en het arbeidsongeval opnemen in zijn statistieken.

 

Hoofdstuk 4. Sancties

Artikel 15. De arbeidsovereenkomst tussen het uitzendkantoor bouw en de uitzendkracht is beëin­digd en deze laatste en de gebruiker zijn verbon­den door een arbeidsovereenkomst van onbepaal­de duur in de navolgende gevallen:
  • in de gevallen bedoeld in artikel 41 van de col­lectieve arbeidsovereenkomst nr. 108 van 16 juli 2013 gesloten in Nationale Arbeidsraad betref­fende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid;
  • indien de gebruiker, in strijd met de bepalingen van artikels 3, 5, 7, 8, 11 en 12 van onderhavige CAO een uitzendkracht tewerkstelt.
In deze gevallen kan een gebruiker geen beroep meer doen op uitzendarbeid gedurende een perio­de van 12 maanden.

 

Hoofdstuk 5. Diverse bepalingen
Artikel 16. Het Paritair Comité voor het Bouwbe­drijf dient jaarlijks het activiteitenverslag, opgesteld door de uitzendkantoren, te ontvangen. Deze ver­slagen dienen als basis voor de evaluatie van de uitzendarbeid bouw.
Het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf zal de uit­zendarbeid in de bouwsector evalueren.

Hoofdstuk 6. Geldigheidsduur

Artikel 17. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt deze van 24 juni 2005, gesloten in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf houdende vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van de uitzendarbeid in het bouwbedrijf (registratienummer: 76243/CO/124000) en deze van 13 juni 2013, gesloten in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf tot wijziging van de cao van 24 juni 2005 houdende vaststelling van de voorwaarden en modaliteiten van de uitzendarbeid in het bouwbedrijf (registratienummer: 116030/CO/124000).
Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt van kracht op 1 oktober 2014 en wordt gesloten voor een onbepaalde duur.
Zij kan door elk van de ondertekende partijen wor­den opgezegd mits inachtneming van een opzeg­gingstermijn van 12 maanden bij een ter post aan­getekende brief gericht aan de Voorzitter van het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf.
commission paritaire de la construction
CCT du 4 décembre 2014

Fixant les conditions et les modalités du travail intérimaire dans la Construction
Chapitre 1er. Champ d’application
Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs des entreprises ressortissant à la Commission paritaire de la construction et aux ouvriers qu’ils occupent.
Dans la présente CCT, on entend par:

 

  • ouvriers: les ouvriers et les ouvrières;
  • fbz-fse Constructiv: le Fonds de Sécurité d’Existence des Ouvriers de la Construction – fbz-fse Constructiv;
  • navb-cnac Constructiv: Comité National d’Action pour la sécurité et l’hygiène dans la Construction – navb-cnac Constructiv.
Pour l’application de la présente convention collective de travail, sont assimilés aux travailleurs les personnes qui, autrement qu’en vertu d’un contrat de travail, exécutent un travail sous l’autorité d’une autre personne. Sont assimilés aux employeurs, les personnes qui emploient les personnes précitées assimilées aux travailleurs.

 

Chapitre 2. Cas dans lesquels le travail intérimaire est autorisé dans la construction

Article 2. La présente convention collective de travail fixe les conditions et les modalités moyennant lesquelles le recours au travail intérimaire dans la construction est autorisé et détermine les conditions auxquelles les utilisateurs doivent satisfaire.
 
Article 3. Le travail intérimaire dans la construction est uniquement autorisé dans les trois cas suivants:
  • en remplacement d’un travailleur fixe, lié par un contrat de travail à une entreprise visée à l’article 1er de cette CCT, en incapacité de travail;
  • en cas d’accroissement temporaire du volume de travail.
  • en cas d’occupation d’un emploi vacant auprès de l’utilisateur en vue de l’engagement permanent de l’intérimaire par l’utilisateur pour le même emploi à l’issue de la période de mise à disposition (insertion).
Dans tous les cas, l’utilisateur doit veiller à ce que le travailleur intérimaire soit en possession d’une attestation (passeport de sécurité) certifiant qu’il a bénéficié d’une formation à la sécurité d’au moins 16 heures.
Le programme de ces formations en sécurité est élaboré par le navb-cnac Constructiv qui délivre aussi l’attestation.
Cette attestation n’est pas requise pour les travailleurs intérimaires qui sont déjà détenteurs d’une attestation délivrée par ou validée par le navb-cnac Constructiv, délivrée au terme de leur scolarité, ou qui ont au moins 5 ans d’expérience dans le secteur de la construction dans les 15 dernières années, ou encore qui peuvent prouver qu’ils ont déjà bénéficié d’une formation à la sécurité “construction”.
Le travailleur intérimaire doit en outre être en possession d’une carte de chômage C 3.2 A délivrée par le fbz-fse Constructiv au nom de l’agence d’intérim, le nom et l’adresse du travailleur intérimaire ayant été complétés par ses soins.
Commentaire

La présente CCT précise les limitations et les conditions fixées par la CCT n° 108 du Conseil National du Travail du 16 juillet 2013 relative au travail temporaire et au travail intérimaire. Conformément aux dispositions de cette CCT, les entreprises visées à l’article 1er de cette cct, ne peuvent faire appel aux travail intérimaire que dans les trois cas précités.

 

Les limitations sur le recours au travail intérimaire dans les entreprises visées à l’article 1er de cette CCT sont inspirées par des prérogatives de sécurité visant la sécurité du travailleur intérimaire. Il est ainsi indispensable que le travailleur intérimaire dispose d’une attestation prouvant qu’il a suivi une formation en sécurité construction. Le programme de ces formations de sécurité est élaboré par l’institut de prévention et de sécurité construction « navb-cnac Constructiv ».

Les statistiques relatives aux accidents de travail prouvent que les accidents se situent particulièrement dans les secteurs où le travail manuel est essentiel. Les travailleurs actifs dans le secteur de la construction et dans le secteur du travail intérimaire encourent un risque d’accident de travail plus important que les ouvriers occupés dans les secteurs à faible densité de travail.

De plus, les mêmes statistiques démontrent que les intérimaires risquent deux fois plus qu’un travailleur fixe d’avoir un accident de travail. En 2012, le nombre d’accidents de travail auprès des travailleurs intérimaires s’élève à 129 pour 1000 intérimaires alors que le nombre d’accidents de travail s’élève seulement à 64 pour 1000 travailleurs dans les entreprises du secteur privé sans intérimaires.

Ces constatations justifient la prise de dispositions particulières protégeant la santé et la sécurité des intérimaires.

  • 1. Remplacement d’un travailleur fixe en incapacité de travail
Article 4. Lorsqu’un ouvrier fixe est en incapacité de travail, en raison d’une maladie ou d’un accident, d’une grossesse, d’un accident de travail ou d’une maladie professionnelle, il peut être remplacé, dans un délai de 12 mois après le début de l’incapacité, par un travailleur intérimaire pour la durée de cette incapacité
L’employeur est tenu d’informer la délégation syndicale de l’entreprise de ce remplacement.
Lorsque l’incapacité de travail de l’ouvrier fixe a pris fin et que celui-ci reprend le travail conformément à son contrat de travail initial, l’employeur le communique aussi à la délégation syndicale. Dans ce cas, la mission du travailleur intérimaire prend fin.
  • 2. Recours au travail intérimaire en cas d’accroissement temporaire du volume de travail
Article 5. En cas d’accroissement temporaire du volume de travail, l’employeur peut faire appel au travail intérimaire moyennant l’accord de la majorité de la délégation syndicale de l’entreprise. A défaut de délégation syndicale, l’agence d’intérim construction communique le recours au travail intérimaire au Fonds social du secteur de l’intérim.
L’accord de la délégation syndicale porte tant sur le nombre de travailleurs concernés que sur la période pendant laquelle le travail intérimaire sera presté, en tenant compte des dispositions de l’article 9.
  • 3. Le travail intérimaire visant l’occupation d’un emploi vacant auprès de l’utilisateur en vue de l’engagement permanent de l’intérimaire par l’utilisateur pour le même emploi à l’issue de la période de mise à disposition (insertion).
Article 6. Lors du travail intérimaire visant l’occupation d’un emploi vacant en vue de l’engagement permanent de l’intérimaire par les entreprises visées à l’article 1er pour le même emploi à l’issue de la période de mise à disposition, l’employeur peut recourir au travail intérimaire s’il en a informé et s’il a consulté la délégation syndicale avant de faire appel au motif insertion.
L’information et la consultation concernent les raisons pour lesquelles on fait appel à ce motif, au(x) poste(s) de travail concerné(s) et au(x) fonction(s) concernée(s) devant être décrites.
Nonobstant, l’employeur est tenu de communiquer à la délégation syndicale l’information mentionnée aux articles 22 et 26 de la cct 108 du Conseil National du Travail du 16 juillet 2013 relative au travail temporaire et au travail intérimaire précisant les conditions particulières et les modalités relatives à la durée et à la procédure du recours au travail intérimaire dans le cadre du surcroît temporaire du volume de travail.

 

Chapitre 3. Conditions auxquelles doit répondre l’entreprise

Article 7. Pour qu’un employeur puisse faire appel à une main-d’œuvre intérimaire mise à disposition par une agence d’intérim construction, son entreprise doit ressortir à la Commission paritaire de la construction.
Cette entreprise doit en outre prouver que les conditions relatives à la profession sont remplies, le cas échéant selon les dispositions de l’AR du 29 janvier 2007.
Par ailleurs, cette entreprise ne peut pas faire l’objet d’une obligation de retenue telle que définie par l’article 30bis, § 4, 1er alinéa de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, et de l’article 403, § 1 du Code des impôts sur les revenus 1992.

Les entreprises de construction peuvent uniquement faire appel à une agence d’intérim construction qui, au moment de la conclusion du contrat, est en possession de l’agrément régional requis en tant qu’agence d’intérim, tel que cet agrément a été prescrit. Le contrat entre l’agence d’intérim construction et l’entreprise de construction mentionne le numéro d’agrément de l’agence d’intérim.

Pour application de l’article 30bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de l’article 400 et suivants du Code des impôts sur les revenus 1992, l’agence d’intérim construction qui met les travailleurs intérimaires à la disposition d’une entreprise de construction pour l’exécution de travaux immobiliers, dispose de la qualité de sous-traitant de cette entreprise de construction.
Article 8. En outre les entreprises de construction peuvent uniquement faire appel à une agence d’intérim construction qui dispose d’une structure juridique disctincte et est agréée par les autorités compétentes pour pouvoir exercer des activités intérimaires dans le secteur de la construction.
Commentaire

Des études relatives à l’insertion et la sortie du secteur de la construction réalisées sur demande des partenaires sociaux de la construction démontrent qu’il convient de justifier que les entreprises de travail intérimaires actives dans le secteur de la construction doivent disposer d’une structure juridique propre. C’est une condition essentielle pour mettre l’insertion et la sortie en équilibre et pour améliorer la situation du marché de l’emploi dans le secteur de la construction et plus particulièrement le nombre de jeunes travailleurs occupés dans la construction par l’intermédiaire d’une agence de travail intérimaire.

Ces études démontrent que le nombre de personnes quittant le secteur de la construction est élevé. Par sortie on entend le fait de ne plus être actif dans la construction après une certaine période.

14% (plus ou moins 23.000 ouvriers) des ouvriers de la construction ont quitté le secteur de la construction entre 2011 et 2012. Le nombre de personnes quittant le secteur de la construction est ces dernières années en croissance continue. Si l’on examine la situation de certains sous- secteurs de la construction, le nombre de personnes quittant le secteur s’élève à plus de 22%.

Il est clair que ce sont essentiellement les jeunes ouvriers de la construction qui quittent le secteur. Le plus grande partie se situe chez les travailleurs de moins de 30 ans. Cette étude démontre également que les jeunes quittant l’école se dirigent principalement vers deux grands secteurs : près de 40% se retrouvent au chômage et près de 20% arrivent dans le secteur intérimaire.
Si nous faisons la comparaison entre l’insertion et la sortie du secteur, nous constatons que le secteur de la construction connaît un pourcentage d’insertion décroissant alors que le nombre de travailleurs quittant le secteur est en croissance continue. L’insertion s’est réduite de plus ou moins 14% en 2004 à moins de 13% en 2011. Par contre, le nombre de jeunes quittant le secteur a augmenté de 11% en 2004 à près de 14% en 2011. Tant le secteur était en capacité en 2004 de compenser le nombre de travailleurs quittant le secteur par l’insertion, il n’en est plus vrai en 2011.
Si nous examinons les chiffres de manière cumulative, nous constatons que sur les plus ou moins 160.000 ouvriers de la construction actifs en 2007, il en reste en 2012 seulement 102.000. Près de 36% ou 58.000 ouvriers de la construction ont quitté le secteur depuis lors.

 

 

Ces constatations démontrent qu’il y a une nécessité absolue de limiter le nombre de personnes quittant le secteur et de tout mettre en œuvre afin d’augmenter l’insertion pour ainsi améliorer la situation du marché du travail dans la construction.
La demande des partenaires sociaux d’avoir une structure juridique propre dans le chef des entreprises de travail intérimaire actives dans le secteur de la construction est justifiée d’une part par la constatation des pourcentages d’insertion et du nombre de personnes quittant le secteur et d’autre part par le fait que le travail intérimaire est, après le chômage, le secteur principal où se retrouvent les jeunes quittant l’école.

 

Article 9. Le travail intérimaire n’est possible que dans les fonctions normales de l’activité normale de l’entreprise de construction et selon les dispositions du règlement de travail y compris les horaires de travail, éventuellement implicitement modifié par une convention en matière d’organisation du temps de travail, conclue conformément aux dispositions de la CCT n° 42 du Conseil national du Travail ou par l’adhésion au régime sectoriel de la semaine de travail flexible.
L’activité normale de l’entreprise est déterminée e.a. par les statuts de l’entreprise, l’inscription dans la Banque carrefour des entreprises (BCE).
Dans tous les cas, pour une fonction appartenant aux professions réglementées, un intérimaire ne peut être mis à disposition que si l’utilisateur satisfait aux conditions d’accès à la profession.
Le contrôle de la disposition concernant l’activité normale est assuré par les organisations patronales locales selon les modalités établies par le Conseil d’administration du fbz-fse Constructiv.
Article 10. Pour les entreprises qui occupent plus de 10 ouvriers au moment de la demande d’une main-d’œuvre intérimaire, le nombre de prestations journalières pouvant être effectuées par des intérimaires dans le cadre d’un accroissement temporaire du travail, est limité. Le nombre maximal de prestations journalières autorisé s’élève à 10% du total des jours-homme ouvrables de l’année civile précédente.
Le total des jours-homme ouvrables est le résultat de la formule suivante:
(nombre d’ouvriers x nombre de mois inscrits dans l’entreprise) divisé par 12 et multiplié par 219. Tout mois entamé est considéré comme un mois complet.
Article 11. Le contrat de travail intérimaire conclu entre une entreprise de construction et l’agence d’intérim construction ne peut porter sur des prestations d’une seule journée.
Dans le cadre d’un accroissement temporaire du volume de travail, un intérimaire ne peut être occupé à ce titre dans la même entreprise que pendant un maximum de 6 mois.
Commentaire

Les articles 10 et 11 de cette convention sont pris en exécution de l’article 11 de la cct 108 du Conseil National du Travail du 16 juillet 2013 relative au travail temporaire et au travail intérimaire qui prévoit la prise de conditions particulières et de modalités relatives à la durée et à la procédure du recours au travail intérimaire en cas de surcroît temporaire du volume de travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction.

Plus particulièrement, l’article 11, § 1er de la cct 108 du Conseil National du Travail du 16 juillet 2013 relative au travail temporaire et au travail intérimaire vise l’interdiction de conclure des contrats journaliers entre l’agence de travail intérimaire et le travailleur intérimaire.

L’article 11, § 2 de la même convention prévoit que la durée de l’occupation comme travailleur intérimaire dans le secteur de la construction au sein de la même entreprise ne peut dépasser 6 mois.
Article 12. Conformément aux dispositions de la CCT n° 53 du Conseil National du Travail du 23 février 1993, il ne peut être fait appel, en cas de chômage temporaire dans l’entreprise, à des travailleurs intérimaires pour le travail qui est normalement exécuté par les travailleurs mis temporairement au chômage.
En cas de licenciement collectif, l’entreprise ne peut faire appel à des travailleurs intérimaires dans une période de 6 mois suivant ce licenciement collectif.
Article 13. Une entreprise de construction ne peut occuper un ouvrier en tant qu’intérimaire s’il a été licencié par cette même entreprise, dans les 12 mois qui précèdent la demande.
Article 14. Les dispositions de l’AR du 19 février 1997 fixant les mesures relatives à la sécurité et la santé au travail des intérimaires sont intégralement d’application.
Plus particulièrement, l’utilisateur doit, avant la mise à disposition d’un intérimaire, préciser à l’agence d’intérim construction la qualification professionnelle exigée et les caractéristiques propres au poste de travail à pourvoir, ainsi que les résultats de l’analyse des risques liés au travail à effectuer, visée par la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail., et ses arrêtés d’exécution.
Plus précisément, les intérimaires doivent disposer des mêmes vêtements de travail et équipements de protection individuelle adéquats que les autres travailleurs qui sont exposés aux mêmes risques, de sorte que l’intérimaire bénéficie du même niveau de protection que les autres travailleurs de l’entreprise.
La responsabilité de la fourniture et du maintien en bon état des vêtements de travail et des équipements de protection individuelle adéquats incombe à l’utilisateur auprès duquel l’intérimaire a été mis à disposition.
Dans le cas où un accident de travail survient à un intérimaire, l’utilisateur qui l’occupe devra effectuer les diverses communications légales et reprendre l’accident de travail dans ses statistiques.
Chapitre 4. Sanctions
Article 15. Le contrat de travail entre l’agence d’intérim construction et le travailleur intérimaire est résilié et ce dernier et l’utilisateur sont engagés dans les liens d’un contrat de travail à durée indéterminée dans les cas suivants:
  • dans les cas prévus par l’article 41 de la convention collective de travail n° 108 du 16 juillet 2013 conclue au sein du Conseil National du Travail relative au travail temporaire et au travail intérimaire;
  • l’utilisateur occupe un intérimaire en violation des dispositions des articles 3, 5, 7, 8, 11 et 12 de cette CCT.
Dans ces cas, un utilisateur ne peut plus recourir au travail intérimaire durant une période de 12 mois.
Chapitre 5. Dispositions diverses
Article 16. La Commission paritaire de la construction doit recevoir chaque année le rapport d’activités établi par les agences d’intérim construction. Ces rapports sont appelés à servir de base à l’évaluation de l’intérim construction.
La Commission paritaire de la construction effectuera une évaluation de l’intérim dans le secteur de la construction.
Chapitre 6. Durée de validité
Article 17. La présente convention collective de travail remplace celle du 24 juin 2005, conclue au sein de la Commission paritaire de la construction, fixant les conditions et les modalités du travail intérimaire dans la construction (numéro d’enregistrement : 76243/CO/124000) et celle du 13 juin 2013, conclue au sein de la Commission paritaire de la construction, modifiant la cct du 24 juin 2005 fixant les conditions et les modalités du travail intérimaire dans la construction (numéro d’enregistrement : 116030/CO/124000).
La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er octobre 2014 pour une durée indéterminée.
Elle peut être dénoncée par chacune des parties signataires moyennant le respect d’un préavis de 12 mois, signifié par lettre recommandée au Président de la Commission paritaire de la construction.
CAO van 4 december 2014 uitzendarbeid in het Bouwbedrijf
Wat vond je van deze pagina? Geef ons een rating!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin
  • Pinterest

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text