Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / Gent 15 januari 1993

Gent 15 januari 1993

/
/
67 Views

Arbrb. Gent (4de k.), 15 januari 1993

Zet.: HH. Herman, recht.; Roegiers en Goethals, recht. soc. zak.

Pleit.: MMrs Vanhooren loco van Eeckhoutte en Bral loco Claeys

C.J.P. t/v.z.w. Stadsmedia (A.R. nr. 97.377/91)

 

IN FEITE

De partijen ondertekenden op 1 september 1990 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor bedienden. De eiser werd door de verweerster met ingang van 1 september 1990 in dienst genomen als gesubsidieerd contractueel.

De geschreven arbeidsovereenkomst bevat inzonderheid de volgende bepalingen:

«Artikel 3. In de overeenkomst wordt een proefbeding voorzien voor een duur van 6 maanden.

Artikel 4. Het loon van de werknemer wordt vastgesteld op 587.000 F per jaar.

De aldus vastgestelde bezoldiging is gelijk aan:

– de wedde die aan een lid van het rijkspersoneel wordt toegekend voor hetzelfde ambt of voor een overeenkomstig ambt, alsook de daaraan verbonden weddeschaalverhogingen en eindejaarstoelage;

– de bezoldiging, verhogingen en toelagen als deze toegekend voor hetzelfde ambt of een overeenkomstig ambt in deze instellingen, verenigingen of maatschappijen.

(…)

Artikel 6. Inzake jaarlijkse vakantie geniet de werknemer hetzelfde stelsel als de contractuelen die door de werkgever worden tewerkgesteld, hetzij het regime van de jaarlijkse vakantie van de loontrekkenden, hetzij dit van de rijksambtenaren».

Bij aangetekend schrijven van 20 februari 1991 maakte de verweerster een einde aan de overeenkomst door middel van een opzegging. De inhoud van dit schrijven luidt als volgt:

«(..)

Conform de wettelijke bepalingen bedraagt de opzeggingstermijn 7 dagen.

De arbeidsovereenkomst wordt dan ook hierbij opgezegd en eindigt op 28 februari 1991. (…)».

Op 21 februari 1991 bood de eiser zich op het werk aan. Dezelfde dag verstuurde hij een gewoon schrijven aan de verweerster met de volgende inhoud: «Deze morgen heb ik Uw ontslagbrief per gewone post ontvangen. Aangezien een ontslag enkel per aangetekende brief of deurwaardersexploot kan medegedeeld worden heb ik mij dan ook op donderdagmorgen (9 h 20) op de burelen aangemeld (erbij zijnde collega J.S.). Daar stelden wij vast dat wij zoals U reeds de vorige dag mondeling had meegedeeld niet naar het werk moesten gaan en U weigerde ook ons een attest te geven dat wij niet moesten werken.

Voor de goede gang van zakens (sic) heb ik mij om 11 h 45 nogmaals aangeboden in het bijzijnde (sic) van twee getuigen, doch op dat moment was er niemand aanwezig.

Bij deze stel ik U in gebreken (sic) met vaststelling (sic) van twee ooggetuigen en zal mijn rechten in verband met loon, schadevergoeding, vakantiegeld, recuperatiedag en gedeeltelijke eindejaarspremie opvorderen via vakbond»;

Bij schrijven van 22 februari 1991 liet de eiser aan de verweerster het volgende weten: «Aangezien U blijft weigeren mij een schriftelijk attest af te geven houdende de verklaring dat ik mij niet meer op het werk moet aanbieden, heb ik mij deze morgen 22 februari 1991 om 9h21, vergezeld van een getuigen (sic) voor de tweede opeenvolgende dag vruchteloos aangeboden om te komen werken.

Opnieuw stond ik voor een gesloten deur.

lk heb verschillende malen gebeld. Tevergeefs. Zoals gisteren diende ik dus noodgedwongen terug naar huis te keren.»

Bij schrijven van 26 april 1991 werd de verweerster door de raadsman van de eiser in gebreke gesteld. De nietigheid van de opzeggingsbrief werd opgeworpen. De wil van de verweerster om de arbeidsovereenkomst te beëindigen werd vastgesteld. Betaling van de later in de dagvaarding geëiste sommen werd gevorderd. (…)

OVER DE DATUM EN DE WIJZE VAN BEËINDIGING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST ALSOOK DE OPZEGGINGSVERGOEDING

a. Zienswijze van de partijen

Volgens de verweerster heeft zij op een regelmatige wijze opzegging gegeven. Aan die opzeggingstermijn is een einde gekomen op 28 februari 1991, dus binnen de overeengekomen proeftijd. Wanneer de opzeggingstermijn één dag te kort was, heeft dit een recht op een opzeggingsvergoeding van één dag tot gevolg. Indien de wijze van opzegging onregelmatig zou zijn geweest, quod non, dan kon dit het ontslag niet ongedaan maken en is de overeenkomst toch niet blijven bestaan na 28 februari 1991.

Volgens de eiser was de opzegging nietig vermits de begindatum van de opzeggingstermijn niet was vermeld. Dit betekent nochtans niet dat aan de overeenkomst onmiddellijk een einde kwam. Dit mag wel zo zijn voor wat de verweerster betreft, in hoofde van de eiser mag het einde van de overeenkomst pas vastgesteld worden toen hij zulks opwierp, in casu op 26 april 1991. Indien de opzegging geldig was, quod non, dan is de verweerster vanaf 21 februari 1991 tekort geschoten in haar essentiële verbintenissen. Zulks had nochtans geen gevolgen vooraleer de eiser de contractbreuk vaststelde, dus op 26 april 1991.

b. Bespreking

Er weze vooreerst gesteld dat de rechtbank in de wijze waarop de opzegging werd betekend, geen graten kan zien. Het is ongetwijfeld zo dat de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn moet vermelden (art. 37, 2de lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet). Het aangetekend schrijven van verweerster vemeldt enkel de duur, niet het begin van de opzeggingstermijn. Het vermeldt echter ook het einde van de opzeggingstermijn van 7 dagen, te weten 28 februari 1991. De wettelijke bepaling heeft tot doel de werknemer de mogelijkheid te geven na te gaan of de werkgever de bepalingen inzake de duur van de opzeggingstermijn heeft gerespecteerd alsook het (slechts waarschijnlijke, gelet op de mogelijkheid van schorsing) einde van de arbeidsverhouding te bepalen. Welnu, indien de opzeggingsbrief zowel de duur van de opzeggingstermijn als de einddatum vermeldt, is zulks perfect mogelijk. Uit de beide vermeldingen is het natuurlijk zonder meer mogelijk de begindatum te bepalen zodat aan de wettelijke voorschriften is voldaan (zie Cass., 12 februari 1970, Arr. Cass., 1970, 538; Cass., 17 september 1975, Arr. Cass., 1976, 80). In casu was dit noodzakelijkerwijze 22 februari 1991 (zoals de eiser terecht stelt). Het is wel zo dat de opzeggingstermijn in casu niet op 22 noch zelfs op 23 februari 1991 kon beginnen nopen, gelet op de strekking van artikel 37, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet. De opzegging kon immers maar de derde werkdag na de verzending van het aangetekend schrijven uitwerking hebben, te weten op 23 februari 1991 en de opzeggingstermijn kon maar daags nadien beginnen lopen, te weten op 24 februari 1991 en niet al op 23 februari 1991, zoals de verweerster verkeerdelijk voorhoudt. De opzeggingstermijn zou in casu dus pas verstrijken op 2 maart 1991, dus buiten de proeftijd. De vergissing van de verweerster maakt de wijze van opzegging echter niet nietig (vgl. met Cass., 27 februari 1989, Arr. Cass., 1988-89, 733) doch kan enkel tot een verschuiving van de begindatum in voornoemde zin leiden. Dit zou in casu ook het geval zijn geweest indien de verweerster niet de einddatum van 28 februari 1991 had vermeid: hieruit blijkt nl. haar duidelijke bedoeling om de overeenkomst hoe dan ook op deze datum te laten eindigen (en het is ook duidelijk waarom zij die bedoeling had: deze datum viel samen met het einde van de proeftijd). De rechtbank verwijst naar het vergelijkbaar geval waarin het duidelik is dat de werkgever met een eventuele schorsing van de loop van de opzeggingstermijn geen rekening wenst te houden: Cass., 17 april 1978, Arr. Cass., 1978, 941).

Er kan dus rustig geconcludeerd worden dat, indien aan de overeenkomst in casu door de opzegging van de verweerster een einde ware gekomen, de overeenkomst op 28 februari 1991 zou zijn beëindigd hetgeen de rechtbank zou nopen de rechten op een aanvullende opzeggingsvergoeding te bepalen, nu de opzeggingstermijn 2 dagen te kort was.

Edoch, de rechtbank moet vaststellen dat aan de overeenkomst géén einde is gekomen ingevolge de door de verweerster betekende opzegging en na verloop van de door haar gegeven opzeggingstermijn doch dat de arbeidsverhouding al op 21 februari 1991 heeft opgehouden te bestaan… dus wel «enige tijd» vroeger dan de door de eiser vooropgestelde datum.

Inderdaad blijkt uit aile feitelijke gegevens waarover de rechtbank beschikt, dat de verweerster op die datum tegenover de eiser haar wil heeft gemanifesteerd om, ondanks de gegeven opzegging, de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen en dat zij op een volgehouden wijze van deze wil blijk heeft gegeven. Het ontslag waardoor onherroepelijk en op definitieve wijze een einde kwam aan de arbeidsovereenkomst (zie Cass., 12 september 1988, Arr. Cass., 1988-89, 47; Arbh. Brussel, 12 februari 1990, J.T.T., 1990, 341) kan op die datum gesitueerd worden.

Immers,

– de eiser stelt zelf dat hem de toegang tot de plaats van het werk, a fortiori het verrichten van de arbeid, eenzijdig werd verhinderd, zowel op 21 als op 22 februari 1991, zonder dat er sprake kon zijn van een gevraagde en toegestane inhaalrust;

– volgens diezelfde eiser heeft hij zijn sleutels al op 20 februari 1991 dienen af te geven;

– uit de sociale documenten blijkt dat de overeenkomst in de optiek van de verweerster (die later wel vergat om die documenten nog eens goed te bekijken) op 21 februari 1991 niet meer bestond: zij betaalde slechts loon tot en met 20 februari 1991 alsook een opzeggingsvergoeding die de periode van 21 tot en met 28 februari 1991 moest overspannen. Ook uit de afrekening van het vakantiegeld blijkt dat de overeenkomst op 21 februari 1991 niet meer bestond. Het is wel vervelend voor de rechtbank dat de partijen het niet nodig vonden het werkloosheidsattest C.4 over te leggen maar kennelijk achtten zij dit – in tegenstelling tot de rechtbank, die echter enkel maar kan vaststellen dat de eiser op grond van dit attest vanaf 1 maart 1991 aanspraak maakte op uitkeringen – niet relevant. Het is anderzijds vervelend voor de verweerster dat de in haar opdracht opgestelde sociale documenten een buitengerechtelijke bekentenis opleveren (Arbh. Bergen, 6 april 1989, T.S.R., 1989, 464, noot REYNDERS, W.). Het is niet omdat zij sinds de aanvang van het geding het geweer van schouder veranderd heeft en zich nu op een geldige opzegging beroept, dat de rechtbank geen rekening zou moeten houden met de door haar in tempore non suspecto aangenomen houding. Dat de verweerster zich pas op het ontslag kon beroepen nadat de eiser er kennis van had of had kunnen hebben, is evident (zie Cass., 14 januari 1991, Soc. Kron.,,1991, 218) doch naar het oordeel van de rechtbank had de eiser deze kennis reeds op 21 februari 1991 verworven. De stelling van de eiser dat de verweerster zich niet op het gegeven ontslag kon beroepen zolang het hemzelf niet beliefde zulks ten overstaan van de verweerster te doen, mist, voorzichtig uitgedrukt, elke grond en heeft redelijk perverse gevolgen. Op deze wijze wordt het einde van de arbeidsverhouding losgemaakt van de wil van de partij die ontslag geeft en wordt deze laatste afhankelijk van de luimen van de ontslagen partij, wat al te gek is. De eiser verliest kennelijk uit het oog dat het ontslag een eenzijdige rechtshandeling is waartegen hij zich niet kan verzetten (zie Votquenne, D., Lc., 0 102 50). De rechtspraak aangaande de houding die de werknemer kan aannemen na een eenzijdige wijziging van essentiële elementen van de arbeidsverhouding, is hier niet relevant, vooreerst niet omdat er in casu van iets dergelijks geen sprake is, vervolgens omdat het in acht nemen van een bedenktijd-van bijna 2 maanden («enige tijd», zegt de eiser met enig gevoel voor humor) door een partij aan wie loon en werk geheel worden ontzegd, wel excessief zou zijn, tenslotte omdat de datum van het einde van de overeenkomst in zo’n geval toch zou dienen behouden te worden op het ogenblik waarop de werkgever zijn verbintenissen niet meer respecteerde (zie VAN EECKHOUTrE, W., Sociaal Compendium 1992. Arbeidsrecht, nr. 5340).

Nu de arbeidsovereenkomst door de verweerster op 21 februari 1991 onrechtmatig werd beëindigd, is zij een opzeggingsvergoeding verschuldigd overeenstemmend met het loon en de krachtens de overeenkomst verworven voordelen gedurende de niet in acht genomen opzeggingstermijn (art. 39, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet). Deze opzeggingstermijn bedroeg in casu 7 dagen.

Het basisloon van de eiser op het ogenblik van het einde van de overeenkomst bedroeg 53.429 F nl. 49.895 F vast maandloon en 3.534 F dubbel vakantiegeld. De eiser had aldus recht op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 12.329 F, zijnde het resultaat van de bewerking (53.429 F x 3) / 13

Welnu, de eiser ontving een opzeggingsvergoeding van 14.085 F, zijnde meer dan hetgeen waarop hij recht had. Hij heeft aldus niets meer te eisen.

Gent 15 januari 1993
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text