Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / Gent 25 september 1978

Gent 25 september 1978

/
/
65 Views

Arbeidsrechtbank te Gent – Vonnis van 25 september 1978

Arbeidsrechtbank Gent (2e k.) – 25 IX 1978

Zet.: HH. REMUE, voorz.; BOUCHIER en DE CUYPER, recht. in soc. zaken;

Pleit.: H. DIEPENDAELE en M LE FEVERE de TEN HOVE.

(Van Waes t. n.v. Gist en Spiritusfabriek Bruggeman.)

Eiseres is op 17 juni 1963 ais bediende met een kontrakt van onbepaalde duur in dienst getreden van verweerster.

Met ingang van 28 juli 1965 werd de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst wegens ziekte van eiseres.

Op 20 juni 1975 heeft verweerster een einde aan de overeenkomst gesteld.

Zij betaalde aan eiseres een vergoeding gelijk aan 3 maanden loon op basis van het loon van juli 1965 onder aftrok van het gewaarborgd loon betaald voor de eerste 30 dagen ziekte.

In rechte :

Bij eksploot van dagvaarding op 8 december 1975 betekend door Heughebaert J.P., gerechtsdeurwaarder te Gent, vordert eiseres een vergoeding op basis van 9 maanden loon naar rato van 28.277 F per maand of 254.493 F – 6.075 F, gewaarborgd loon ontvangen voor de eerste 30 dagen arbeidsongeschiktheid, meer de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, hoofdsom herleid tot 206.001 F (conclusies eiser dd. 13 jan. 1978).

Een poging tot minnelijke schikking voor elk débat overeenkomstig art. 734 van het Gerechtelijk Wetboek kende geen resultaat.

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies.

De stukken van het geding o.m. die gevoegd bij het dossier van rechtspleging werden gezien.

Anciënniteit : eiseres steunt zich op een anciënniteit van meer dan 10 jaar doch minder dan 15 jaar om een vergoeding van 9 maanden te vorderen.

Verweerster daarentegen houdt voor dat de termijn gedurende dewelke de arbeidsovereenkdmst geschorst is wegens ziekte niet medegerekend kan worden om de anciënniteit in de onderneming te bepalen.

Voor het bepalen van de anciënniteit bij verbreking van de overeenkomst moet overeenkomstig artikel 15, § 3, rekening gehouden worden met de verworven anciënniteit op het ogenblik dat de opzegging ingaat.

Ais verworven anciënniteit moet de tijd gerekend worden gedurende dewelke de arbeidsovereenkomet is blijven bestaan.

De schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst laat het bestaan van de arbeidsovereenkomst ongemoeid, immers de overeenkomst die de werknemer aan de onderneming bindt blijft voortbestaan.

De thesis, door sommige rechtspraak en rechtsleer vooropgesteld, dat de gebruikj e termen « in dienst zijn » enkel de effectieve arbeidsprestaties bedoelen strookt niet met het opzet van de wetgever die de werknemer voor zijn trouw aan de onderneming heeft willen belonen.

De werknemer heeft immers tijdens de schorsing wegens ziekte het recht op te zeggen en de opzeggingstermijn loopt wat hem betreft tijdens de période van schorsing; artikel 11 van de wetten betreffende het bediendenkontrakt.

Indien hij hiervan geen gebruik maakt wordt deze trouw aan de onderneming gevaloriseerd.

De parlementaire werken van 1962 laten geen controverse op dit punt meer toe waar de wetgever zegt dat de schorsingsperiode van de overeenkomst moet in aanmerking genornen worden voor de berekening van de anciënniteit vermits de overeenkomst blijft bestaan (Doc. Kamer, 1961-1962, 369, nr. 1, blz. 3. Arbeidsrecht onder de wetenschappelijke leiding van prof. Dr. R. Blanpain : C. Quisthoudt, De schorsing der arbeidsovereenkomst voor. werklieden en bedienden, nr. 7; W. Beirnaert, De opzegging van het arbeidsovereenkomst voor werklieden en bedienden afgesloten voor onbepaalde duur, nr. 62; Rép. prat. dr. belge, v « Contrat de travail et contrat d’emploi », compl. III, « Calcul de l’ancienneté », nr. 675;

Guide soc. permanent, titre XII; « Contrat d’emploi », n° 127, 22, C, 234, 22; Arb. Brussel, 8 okt. 1972; Cour Trav. Mons, 24 avril 1975, R.G., n° 2146; W.R.B. Mons, 29 juin 1968, T.S.R., 1969, p. 116; W.R. Brussel, 22 maart 1962, J.T., 1962, biz. 518; W.R.R.B. Luik, 29 jan. 1953, J.L., 1952-1953, 180; Papier-Jamoulle, 691, 675. Contra : Côlens, Contrat d’emploi, éd. 1973, blz. 188, nr. 107; Steyaert : Arbeidsovereenkomst, nr. 761 (genuanceerd); C.P.A. Namur, 9 janv. 1970, J.L., 1969-1970, p. 274; W.R.R. Brussel, 2 dec. 1966, T.S.R., 1967, blz. 136; W.R.R. Antwerpen, 11 okt. 1948, R.W., 1948-1949, kol. 1215).

Met de door eiseres vooropgestelde anciënniteit van meer dan 10 doch minder dan 15 jaar had de opzeggingstermijn 9 maanden moeten belopen, zodat de vergoeding overeenkomstig artikel 12 van voornoemde wetten dient berekend te worden op basis van 9 maanden.

Basisbedrag : eiseres neemt het loon van toepassing op het ogenblik van de afdanking ais grondslag voor de vergoeding.

Verweerster daarentegen, zich steunend op het arrest van het Hof van cassatie van 21 oktober 1960 (T S.R., 1961, blz. 140), houdt voor dat de vergoeding dient berekend te worden op basis van het loon van toepassing op het, ogenblik van de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst.

Het Hof van cassatie steit voorop dat de vergoeding die’ de werkgever moet ’ betalen wanneer hij gebruik maakt van het hem verleende recht de arbeidsovereenkomst te beëindigen zo de arbeidsongeschiktheid van de bediende wegens ziekte of ongeval langer dan 90 dagen, thans zes maanden duurt, niet aan de beoordeling van de rechter wordt overgelaten maar door de wet bepaald wordt dat die vergoeding gelijk moet zijn aan de bezoldiging die overeenkomt met de opzeggingstermijn welke ten opzichte van’ de bediende in acht moet genomen worden onder aftrok van de wedde die sedert het begin van de arbeidsongeschiktheid werd betaaid. Zoals François Bleeckx in zijn nota onder dit arrest aanstipt haait het Hof van cassatie hier enkel de tekst van de wet aan.

Om ais basis voor de vergoeding het loon van toepassing bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid te rechtvaardigen steit daarna het Hof voorop dat gezien de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, wanneer de bediende wegens’ ziekte of ongeval in de onmogelijkheid verkeert zijn werk te verrichten er aan de werkgever geen andere verplichting wordt opgelegd dan die van de bij overeenkomst bepaalde bezoldiging voor de eerste dertig dagen van de arbeidsongeschiktheid aan de bediende te betalen om hieruit af te leiden dat waar de werkgever geen andere bezoldiging meer moet betalen en de wet niet voorschrijft dat de vergoeding zal vastgesteld worden op grond van een hypothetische bezoldiging te berekenen naar verhouding van de bezoldiging die de bediende zou genoten hebben indien hij zijn diensten verder verleend had.

Of de werkgever inderdaad geen andere verplichtin9en heeft dan het betalen van het gewaarborgd maandloon wordt reeds in voornoemde nota becritiseerd maar bovendien staat hiertegenover dat in het geheel der arbeidsrechtelijke verhoudingen het basisprincipe van de vastheid van betrekking die in tel van wettelijke bepalingen tot uiting komt en die de vrijheid van de werkgever eenzijdig deze overeenkomst te beëindigen meer en meer aan banden legt moet overheersen.

Deze opvatting is slechts de uiting van de voortschrijdende gedachte dat het arbeidsrecht moet gezien worden los van het burgeriijk contractenrecht, daar het arbeidsrecht langs om minder kan beschouwd worden ais de regeling van Jouter privaatrechterlijke verhoudingen.

Aldus kan vooropgesteld worden dat de werkzekerheid van de werknemer primordiaal moet gesteld worden en dat de hoofdverplichting van de werkgever erin bestaat wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ingevoige ziekte of ’ongeval van de werknemer, geschorst wordt, de werknemer bij het einde van die ongeschiktheid terug in dienst te nemen.

Dit moet in de eerste piaats afgeleid worden uit het feit dat de wetgever heeft bepaald dat bij beëindiging door de werkgever van de arbeidsovereenkomst, die tijdens de schorsing is biijven bestaan, na zes maanden, vergoeding moet betaald worden.

Die vergoeding is dan slechts de betaling van de schade aan de werknemer toegebracht die aldus zijn recht op wedertewerkstelling ziet teloor gaan.,

Het fiait dat de vergoeding noodzaakt is de afdanking of de eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.

Het schadeverwekkend fiait geeft recht op vergoeding op het ogenblik dat het gesteld wordt en het is de schade die alsdan wordt veroorzaakt die recht geeft op vergoeding.

Artikel 12 verwijst voor de begroting van de, vergoeding naar de opzeggingstermijn.

Hieruit moet afgeleid worden dat deze vergoeding in feite een opzeggingsvergoeding is; weinu de opzeggingsvergoeding is de compen satie voor het verlies aan loon bij ontstentenis van opzeggingstermijn.

Het is derhalve het loon dat van toepassing is op het ogenblik dat de verbreking zonder opzeggingstermijn piaats heeft welke bepalend is voor de vergoeding.

Dienvolgens kan er van een hypothetisch loon geen sprake zijn vermits de werknemer indien hij wedertewerkgesteld zou zijn geworden op het ogenblik dat hij afgedankt werd, recht zou hebben op het loon van toepassingq op dat ogenblik.

Daar waar het loon niet uitsluitend door de individueie overeenkomst tussen partijen wordt bepaald maar integendeel de minimumlonen worden vastgelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten moet ais basis het op het ogenblik van de afdanking van kracht zijnde minimumloon worden toegepast.

[…]

Om die redenen

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Verkiaart de vordering toelaatbaar grond.

Gent 25 september 1978
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text