Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / RAAD VAN STATE nr. 168.781

RAAD VAN STATE nr. 168.781

/
/
121 Views

RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.
A R R E S T
nr. 168.781 van 12 maart 2007
in de zaak A. 113.784/IX-3142.
In zake : Guido P.,
die woonplaats kiest bij
advocaat E. DE SIMONE,
kantoor houdende te ANTWERPEN,
Broederminstraat 38
tegen :
De Post.
—————————————————————————————————
D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R,
Gezien het verzoekschrift dat Guido P. op 1 februari
2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen genomen
door de postontvanger van Antwerpen 1 “waarbij aan verzoeker werd meegedeeld
dat ingevolge het unaniem advies d.d. 28.11.2001 van de Commissie van Beroep de
door dhr. De P. opgelegde tuchtmaatregel van afzetting definitief is geworden,
en verzoeker vanaf 04.12.2001 uit de dienst wordt verwijderd en afgezet”;
Gelet op het arrest nr. 107.874 van 17 juni 2002 waarbij de
vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt
verworpen;
Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging
ingediend op 8 juli 2002 door verzoeker;
Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van
wederantwoord;
Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER;
Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de
neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast;

Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien
de regelmatig gewisselde laatste memories;
Gelet op de beschikking van 27 december 2006 waarbij de
terechtzitting bepaald wordt op 29 januari 2007, datum waarbij de zaak wordt
uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 12 februari 2007;
Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN ;
Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE SIMONE, die
verschijnt voor verzoeker, en van bedrijfsjuriste L. V., die verschijnt
voor de verwerende partij;
Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeurafdelingshoofd
M. LEFEVER;
Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van
State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

1. Over de gegevens van de zaak

1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen
worden samengevat :

1.1. Op 10 februari 2001 verschijnt in de krant “De Morgen” een
reportage over verzoeker die over zijn problemen met De Post vertelt waarin hem
woorden “strafkamp” en “tirannen” in de mond worden gelegd en een uitlating over
de zelfmoord van een postman.

1.2. Op 21 mei 2001 verschijnt in de krant “De Morgen” opnieuw een
artikel met betrekking tot verzoeker waarin een beschuldiging aan het adres van de
verwerende partij van het doen verdwijnen van belangrijke documenten aan
verzoeker wordt toegedicht.

1.3. Over die interviews wordt aan verzoeker op 8 mei en op 6 juni
2001 om uitleg gevraagd. Hij wenst evenwel geen verklaringen af te leggen omdat
de zaak “het onderwerp uitmaakt van een strafrechtelijk onderzoek”. In zijn
antwoord van 13 juni 2001 schrijft hij dat hij niet akkoord is “met enkele van de in
(zijn) mond gelegde en door (de verwerende partij) aangehaalde uitspraken”.

1.4. Op 25 juli 2001 stelt de onmiddellijke chef van verzoeker voor
hem de tuchtstraf van de afzetting op te leggen wegens de volgende feiten :
“De krantenartikelen van 10 februari 2001 en 21 mei 2001 die zijn
verschenen in ‘De Morgen’ waarin u de termen ‘strafkamp’, ‘tirannen’ gebruikt,
de impliciete verwijzing naar de vermeende schuld van De Post in de zelfmoord
van een postman uit Wezembeek-Oppem, de insinuatie dat De Post belangrijke
documenten zou laten verdwijnen en de verwijzing naar een gerucht als zouden
uw vervangers er een potje van maken en dat de mensen van ‘uw ronde’ steen
en been klagen, tast niet alleen het vertrouwen van het publiek in De Post aan
maar schaadt tevens de belangen van De Post in het algemeen. Het recht op
antwoord dat u zou hebben geëist ten aanzien van ‘De Morgen’ is nooit
verschenen. De Post kan dus geen rekening houden met het feit dat de
aangehaalde uitspraken uit hun context zijn getrokken”.

1.5. Verzoeker wordt hierover gehoord en op 27 september 2001
beslist de onmiddellijke chef de tuchtstraf van afzetting op te leggen. Verzoeker
tekent beroep aan tegen die tuchtstraf.

1.6. Na verzoeker en zijn verdediger te hebben gehoord geeft de
Commissie van beroep in haar zitting van 28 november 2001 advies. Zij gaat
“unaniem akkoord met de afzetting”.

1.7. Bij beslissing van 4 december 2001 van verzoekers onmiddellijke
chef wordt verzoeker met ingang van die datum definitief afgezet.

1.8. Op 6 december 2001 wordt de beslissing tot afzetting aan
verzoeker betekend.

1.9. Die beslissing luidt als volgt :
“Gelet op artikel 118, § 2, 2e lid, van het Administratief Statuut van de
Postambtenaren;
Gelet op mijn beslissing van 26 september 2001 waarbij ik aan de heer
P. G.K.A., eerstaanwezend postman van het kantoor Antwerpen,
de afzetting opleg omwille van het volgende:
overeenkomstig het Administratief Statuut van de Postambtenaren en
onverminderd het recht op vrije meningsuiting, is het de ambtenaar niettemin
verboden feiten bekend te maken die de belangen van De Post kunnen schaden.
De ambtenaar moet tevens zijn ambt uitoefenen op een loyale en integere wijze
onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. Buiten de uitoefening van
zijn ambt, waakt de ambtenaar erover elke handelwijze te vermijden die het
vertrouwen van het publiek en van de klanten in het bijzonder zou kunnen
aantasten (art. 76, 79 en 80 van het Administratief Statuut). Bovendien staat in
de algemene onderrichtingen duidelijk dat op nationaal vlak de enige
woordvoerders van De Post de leden van het Directiecomité en de directeur
Communicatie zijn. Bovendien hebben de personeelsleden ten aanzien van de
pers steeds de plicht van gereserveerdheid en discretie bij het mededelen van
inlichtingen. Steeds moeten de belangen van De Post behartigd worden (eerste
boekdeel, art. 310, 311 en 312). De krantenartikelen van 10 februari 2001 en
21 mei 2001 die zijn verschenen in ‘De Morgen’ waarin dhr. Peersmans de
termen ‘strafkamp’, en ‘tirannen’ gebruikt, de impliciete verwijzing naar de
vermeende schuld van De Post in de zelfmoord van een postman uit
Wezembeek-Oppem, de insinuatie dat De Post belangrijke documenten zou
laten verdwijnen en de verwijzing naar een gerucht als zouden zijn vervangers
er een potje van maken en dat de mensen van ‘zijn ronde’ steen en been klagen,
tast niet alleen het vertrouwen van het publiek in De Post aan maar schaadt
tevens de belangen van De Post in het algemeen. Het recht op antwoord dat hij
zou hebben geëist ten aanzien van ‘De Morgen’ was op 25 juli 2001 nog niet
verschenen. De Post kan dus geen rekening houden met het feit dat de
aangehaalde uitspraken uit hun context zijn getrokken;
Overwegende dat betrokkene enkel recht van antwoord heeft geëist bij de
krant ‘De Morgen’ tegen het krantenartikel van 21 mei 2001 nadat de
afzettingsprocedure tegen hem werd aangevat; rekening houdend met dat feit,
de repliek van de journalist in kwestie en het feit dat hij nooit een recht op
antwoord heeft geëist tegen het krantenartikel van 10 februari 2001 waarin hij
de termen ‘strafkamp’ en ‘tirannen’ gebruikt en de impliciete verwijzing naar
de vermeende schuld van De Post in de zelfmoord van een postman uit
Wezembeek-Oppem, heeft De Post het nodige vertrouwen, wat de absolute
basis is voor een goede werking van de dienst, in hem verloren;
Overwegende dat de artikelen 76, 79 en 80 van het Administratief Statuut
hier wel degelijk van toepassing zijn aangezien zij de rechten en de plichten van
het postpersoneel opsommen namelijk onverminderd het recht op vrije
meningsuiting, is het de ambtenaar niettemin verboden feiten bekend te maken
die de belangen van De Post zouden kunnen schaden (art. 76, l/ alinea, van het
Administratief Statuut). De ambtenaar moet bovendien zijn ambt uitoefenen op
een loyale en integere wijze onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen
die voor de gegeven opdrachten verantwoordelijk zijn (art. 79, § 1, van het
Administratief Statuut). Buiten de uitoefening van zijn ambt, waakt de
ambtenaar erover elke handelwijze te vermijden die het vertrouwen in het
algemeen en van de klanten in het bijzonder zou kunnen aantasten (art. 80 van
het Administratief Statuut);
Overwegende dat de vrijheid van mening en de vrijheid van meningsuiting,
gewaarborgd door de Grondwet en door het Europees Verdrag van de Rechten
van de Mens, niet beletten dat het een ambtenaar verboden is afbreuk te doen
aan het gezag en de goede naam van zijn collega’s en zijn meerderen en aan het
vertrouwen dat het publiek moet kunnen hebben in het overheidsbestuur. De
plicht tot gereserveerdheid vormt een maatregel die nodig is in een
democratische samenleving en die niet in strijd is met de Grondwet noch met
het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Door zijn benoeming te
aanvaarden en door de eed af te leggen, aanvaardt een ambtenaar de
verplichtingen van zijn ambt, waaronder de verplichting om binnen de
toelaatbare perken, bepaald door het belang van de dienst en de waardigheid
van zijn ambt, te blijven wanneer hij kritiek levert op de overheid;
Overwegende dat onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat
de bewoordingen in de krantenartikels onnodig grievend zijn voor De Post, dat
er niet valt in te zien dat met de inhoud van de artikels enig belang werd
gediend en dat daarom wordt geopteerd voor de zwaarste tuchtsanctie namelijk
de afzetting van betrokkene;
Overwegende dat De Post alle vertrouwen in betrokkene heeft verloren
m.b.t. zijn loyaliteit ten aanzien van De Post, zijn discretie en zijn
gereserveerdheid bij het meedelen van inlichtingen; vertrouwen is nochtans de
absoluut noodzakelijke basis voor een goede werking van de dienst. Elke
verdere samenwerking tussen De Post en dhr. P.pee wordt dan ook
definitief onmogelijk geacht;
Gelet op het unaniem advies van de Commissie van Beroep uitgebracht in
(haar) zitting van 28 november 2001 waarbij deze zich akkoord verklaarde met
de opgelegde afzetting om de volgende redenen:
‘Tijdens zijn verhoor op de zitting geeft betrokkene toe dat hij een interview
aan een journaliste heeft toegestaan voor het artikel dat op 10 februari 2001 in
de krant “De Morgen” is verschenen. De Commissie stelt vast dat, alhoewel
volgens zijn bewering op de zitting en zijn verklaringen in het dossier, hij niet
akkoord ging met de inhoud en de bewoordingen, noch beroeper noch zijn
raadsman een recht op antwoord heeft geëist tegen dit artikel. Bovendien levert
betrokkene nergens een concreet bewijs dat de journaliste zijn verklaring,
afgelegd tijdens het interview, onjuist zou hebben weergegeven. Hiermee
rekening houdend is de Commissie ervan overtuigd dat, op het ogenblik van het
verschijnen van het artikel, betrokkene akkoord ging met de inhoud ervan. De
Commissie stelt verder vast dat, zoals uit het dossier blijkt, tegen het artikel dat
op 21 mei 2001 is verschenen in dezelfde krant, door toedoen van zijn
raadsman zeer laat (op 9 augustus 2001) een recht van antwoord werd geëist en
dit nadat betrokkene op 27 juli 2001 ervan in kennis werd gesteld dat een
afzettingsprocedure tegen hem werd aangevat. Gelet (op) deze laattijdige
reactie is de Commissie van oordeel dat betrokkene op het ogenblik van het
verschijnen van dit artikel akkoord ging met de inhoud. Verder is de Commissie
de mening toegedaan dat door de inhoud en de bewoordingen van de artikels
in kwestie en waaraan betrokkene, vooral wat het artikel van 10 februari 2001
betreft, zijn medewerking heeft verleend, De Post publiekelijk belachelijk werd
gemaakt. De Commissie is dan ook van mening dat beroeper, door het verlenen
van zijn medewerking, zich schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op artikelen
76, 1/ alinea, en 80 van het Administratief Statuut van de Postambtenaren. Door
zijn uitlatingen, inzonderheid in de krant van 10 februari 2001 maar ook het
artikel in de krant van 21 mei 2001 gelet op het laattijdig gevraagde recht op
antwoord, werd het vertrouwen van het publiek in het algemeen en van de
klanten in het bijzonder, in De Post ernstig aangetast en derhalve de belangen
van De Post geschaad. Gelet (op) zijn verklaringen in de pers en de daardoor
toegebrachte schade aan het imago van De Post bij de publieke opinie en haar
cliënteel, is de Commissie van oordeel dat terecht alle vertrouwen in dhr.
Peersmans is verloren zodat een verdere samenwerking onmogelijk is
geworden’;
Overwegende dat dit advies ongunstig was voor dhr. P.;
Overwegende dat, rekening houdend met het hierboven vermelde ongunstig
advies van de Commissie van Beroep, de bestreden beslissing tot afzetting
definitief geworden is en dat er derhalve geen nieuwe beslissing moet getroffen
worden;
Overwegende dat betrokkene met ingang van 4 december 2001 uit de dienst
werd verwijderd,

BESLIST:

Enig artikel : De heer P. Guido, Kamiel, Alfons, eerstaanwezend
postman, geboren op 7 december 1951, stamnummer 910.757-24, wordt gestraft
met de afzetting met ingang van 4 december 2001.
Deze beslissing zal aan betrokkene worden genotificeerd”;

2. Over de gegrondheid van het beroep

2.1. Overwegende dat de verzoeker in een derde middel de schending
aanvoert van het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel en van artikel
90 van het administratief statuut van de ambtenaren van De Post; dat hij hierbij stelt
dat de zwaarte van de tuchtstraf buiten proportie staat tot de ernst van de feiten; dat
hij hiervoor verwijst naar de termijn die is verstreken sedert de datum van de feiten,
het feit dat hij de betichtingen heeft betwist en de afwezigheid van enige eerdere
tuchtstraf in zijnen hoofde; dat volgens hem de verwerende partij ook onzorgvuldig
is geweest doordat de tuchtprocedure te lang heeft aangesleept; dat hij ten slotte
aanvoert dat de tuchtstraf niet is voorafgegaan door een verwittiging zoals
voorgeschreven door artikel 90 van het voornoemde statuut;

2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van
antwoord eraan herinnert dat de Raad van State slechts een marginale controle
uitoefent op de zwaarte van de straf en dus enkel een kennelijk in wanverhouding
tot de feiten staande straf onwettig kan bevinden; dat zij er in dat verband ook op
wijst dat de Commissie van beroep unaniem met de straf akkoord is gegaan en van
mening is geweest dat, gelet op alle feiten, het in redelijkheid niet ondenkbaar is en
dus aanvaardbaar dat de tuchtoverheid de samenwerking met verzoeker wenst te
beëindigen; dat luidens artikel 90 van het administratief statuut een tuchtstraf in
principe wordt voorafgegaan door een verwittiging doch dat dit geen verplichting
is en van geval tot geval moet worden bekeken; dat verzoeker ten slotte, nadat hem
een eerste maal te kennen was gegeven dat zijn houding in de pers ten aanzien van
De Post niet kon worden getolereerd, opnieuw meewerkte aan een krantenartikel
waarin hij De Post opnieuw in een negatief daglicht stelde;

2.3. Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat de straf niet los
kan worden gezien van de context, namelijk de sedert jaren onmogelijke werkverhouding
tussen verzoeker en zijn oversten, te wijten aan de zwaarte van verzoekers
ronde waaraan de overheid niet heeft willen remediëren en het feit dat de
problematiek van welzijn op het werk meer in de aandacht is gekomen van de
publieke opinie en van de pers; dat de gewraakte uitlatingen in de artikels niet van
hem komen maar dat zij het resultaat zijn van “creative writing” van de journaliste;
dat, indien hij geen recht op antwoord vroeg na het eerste artikel, zulks was omdat
hij vreesde dat de journaliste zou reageren en er alzo een polemiek zou ontstaan in
de pers, wat bewaarheid werd bij het tweede artikel; dat het tweede artikel tot stand
gekomen is, niet na een interview met verzoeker, maar na een kort telefonisch
contact tussen de journaliste en verzoeker dat plaatsvond toen hij door zijn oversten
nog niet ter verantwoording was geroepen voor het eerste interview; dat in het eerste
artikel door de journaliste duidelijk gesteld werd dat het er de verzoeker niet om te
doen was op de man te spelen maar dat hij enkel de onrechtvaardigheid wenste aan
te klagen waarvan hij het voorwerp was; dat zulks de door de journaliste gebruikte
woorden “tiran” en “strafkamp” relativeert; dat verzoeker voordien nog geen enkele
tuchtstraf heeft opgelopen en dat hij tijdens de tuchtprocedure niet preventief
geschorst is geweest maar dat hij zijn werk verder mocht blijven uitvoeren; dat hij
in zijn laatste memorie benadrukt dat indien er echt sprake was van een
vertrouwensbreuk men hem van de dienst had moeten verwijderen; dat afzetting
slechts kan worden verantwoord door “een zeer ernstige en onoverkomelijke
vertrouwensbreuk” en dat in dergelijk geval altijd een preventieve schorsing wordt
opgelegd;

2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie
erop wijst dat de Commissie van beroep unaniem van oordeel was dat “door de
publieke verklaringen van (verzoeker) de noodzakelijke vertrouwensband definitief
is verbroken zodat een verdere samenwerking onmogelijk is geworden”; dat een
preventieve schorsing in het belang van de dienst niet noodzakelijk was “aangezien
dit geen effect zou hebben op de negatieve houding van (verzoeker) in de pers” en
dat de omstandigheden niet van die aard waren dat betrokkene onmiddellijk uit de
dienst moest worden verwijderd aangezien de goede dienstuitvoering niet in het
gedrang kwam door de aanwezigheid van verzoeker terwijl een preventieve
schorsing het probleem van De Post ten aanzien van verzoeker niet zou oplossen;

2.5. Overwegende, in zoverre het middel aanvoert dat de opgelegde
straf niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten, dat de Raad van State in de
uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht zijn beoordeling van de
ernst van de feiten en van het passend karakter van de straf niet in de plaats mag
stellen van die van de bevoegde tuchtoverheid; dat hij alleen mag nagaan of de
opgelegde straf niet kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen of de opgelegde straf niet
buiten elke redelijke verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten, wat het geval
zou zijn indien hij vaststelt dat het bestuur, rekening houdend met de specifieke
gegevens van de zaak, met de persoonlijke toestand van de ambtenaar en vooral met
het belang van de dienst, redelijkerwijze niet tot de conclusie kon komen dat de
opgelegde straf gepast was; dat het criterium van het dienstbelang neerkomt op de
vraag naar de graad van verstoring van de goede werking van de dienst,
bijvoorbeeld omdat, binnen het bestuur, de vertrouwensrelatie tussen de overheid
en de betrokken ambtenaar gehavend is of omdat, naar de buitenwereld toe, het
vertrouwen dat de overheid moet uitstralen aangetast is;
Overwegende dat de verzoeker tuchtrechtelijk vervolgd is omwille
van verklaringen die aan hem zijn toegeschreven, verschenen in de krant “De
Morgen” van 10 februari en 21 mei 2001; dat uit de motieven van de bestreden
beslissing blijkt dat aan de verzoeker een inbreuk op de artikelen 76, 79 en 80 van
het Administratief Statuut van de Postambtenaren wordt verweten, in het bijzonder
doordat hij feiten bekendgemaakt heeft die de belangen van de verweerster zouden
kunnen schaden, doordat hij zijn ambt niet heeft uitgeoefend op een loyale en
integere wijze, onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen, en doordat hij een
handelwijze heeft aangenomen die het vertrouwen in het algemeen en van de
klanten in het bijzonder zou kunnen aantasten; dat de verweerster de zwaarste
tuchtsanctie, namelijk de afzetting, heeft opgelegd, omdat zij van oordeel is dat de
bewoordingen in de krantenartikelen voor haar onnodig grievend zijn, dat niet valt
in te zien dat met de inhoud van de artikelen enig belang werd gediend, dat zij alle
vertrouwen in de loyaliteit van de verzoeker te haren opzichte, zijn discretie en zijn
gereserveerdheid bij het meedelen van inlichtingen heeft verloren, en dat elke
verdere samenwerking tussen haar en de verzoeker dan ook definitief onmogelijk
wordt geacht;
Overwegende dat aldus blijkt dat aan de verzoeker een
tuchtsanctie is opgelegd omwille van bepaalde meningen die hij heeft geuit; dat, zo
artikel 76 van het administratief statuut de ambtenaren verbiedt om feiten bekend
te maken die de belangen van de verweerster zouden kunnen schaden, dit verbod
uitdrukkelijk geldt “onverminderd de uitoefening van het recht op vrije
meningsuiting”; dat de opgelegde straf beschouwd moet worden als een inmenging
in dat grondrecht; dat voor de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde
straf dit kenmerk van de straf een relevant gegeven is; dat immers een inmenging
in de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting slechts wettig is indien zij onder
meer “noodzakelijk” is in een democratische samenleving, in de zin van artikel 10,
lid 2, van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, wat impliceert dat de
redenen ter verantwoording van de inmenging pertinent en voldoende moeten zijn,
en dat de inmenging evenredig moet zijn met de door het bestuur nagestreefde
wettige doeleinden;

Overwegende dat in de bestreden beslissing terecht wordt
aangenomen dat de vrijheid van meningsuiting niet belet dat aan een ambtenaar
verbod kan worden opgelegd om op onrechtmatige wijze afbreuk te doen aan het
gezag en de goede naam van zijn hiërarchische meerderen en aan het vertrouwen dat
het publiek moet kunnen hebben in het bestuur; dat de verweerster in redelijkheid
van oordeel kon zijn dat de aan de verzoeker toegeschreven uitlatingen, waartegen
hij niet of slechts na een zekere tijd een recht op antwoord heeft uitgeoefend, het
door het publiek in haar te stellen vertrouwen hebben aangetast en haar belangen
hebben geschaad; dat de door de verweerster ingeroepen redenen ter verantwoording
van het opleggen van een tuchtstraf derhalve pertinent zijn;
Overwegende evenwel dat, ter beoordeling van de vraag of de
redenen ter verantwoording van de bestreden inmenging in de vrijheid van
meningsuiting ook voldoende zijn en of die inmenging evenredig is met de
nagestreefde doelstellingen, de ernst van de straf in aanmerking genomen moet
worden; dat, inzonderheid wanneer het gaat om maatregelen tegen een ambtenaar
die meende bepaalde misbruiken of disfuncties binnen het bestuur aan het licht te
moeten brengen, de tuchtrechtelijke overheid moet vermijden om straffen op te
leggen die een overdreven afschrikkend effect hebben, op gevaar af dat het
spreekrecht van die ambtenaar, en van zijn collega’s, daardoor uitgehold zou
worden; dat, zoals in de bestreden beslissing wordt vastgesteld, de verzoeker in de
krantenartikelen de termen “strafkamp” en “tirannen” gebruikte, impliciet verwees
naar de schuld van de verweerster aan de zelfmoord van een postman, insinueerde
dat de verweerster belangrijke stukken zou laten verdwijnen, en verwees naar een
gerucht als zouden zijn vervangers er op zijn ronde een potje van maken en steen en
been klagen; dat die uitlatingen ongetwijfeld als schadelijk voor de verweerster
konden worden beschouwd en, zoals reeds opgemerkt, een tuchtrechtelijk optreden
konden verantwoorden; dat te dezen evenwel niet voorbijgegaan kan worden aan de
context waarin de verzoeker de gewraakte meningen heeft geuit; dat, zoals uit de
gegevens van het dossier blijkt, er reeds geruime tijd een conflict was tussen hem
en zijn oversten, te wijten aan de zwaarte van zijn ronde, en dat dit conflict niet
opgelost raakte; dat de kritiek die de verzoeker in de media bracht betrekking had
op een problematiek die mede een onderwerp van algemeen belang betrof, namelijk
de wijze waarop een overheidsinstelling als de verweerster de dienstverlening
organiseerde en de opdrachten van haar personeelsleden bepaalde; dat voorts, wat
in het bijzonder de sanctie betreft, de verweerster de zwaarst mogelijke sanctie
oplegt, te weten de afzetting, ook al bestond de mogelijkheid om een lichtere straf
op te leggen; dat die vaststelling des te meer klemt nu de verzoeker, buiten een
terechtwijzing opgelegd in 1985, nog geen enkele tuchtstraf had opgelopen; dat de
bestreden beslissing weliswaar overweegt dat de verweerster ten gevolge van de
gewraakte uitspraken elk vertrouwen in de loyaliteit van de verzoeker, in zijn
discretie en in zijn gereserveerdheid bij het meedelen van inlichtingen heeft
verloren, zodat elke verdere samenwerking tussen haar en de verzoeker definitief
onmogelijk wordt geacht; dat die appreciatie evenwel op gespannen voet staat met
de houding van de hiërarchische oversten van de verzoeker, die pas enkele maanden
na het verschijnen van het eerste artikel daarover uitleg gevraagd hebben en
daarmee de eerste stappen in de tuchtprocedure gezet hebben; dat het tweede artikel
weliswaar is verschenen na dat verzoek om uitleg, maar dat de verzoeker aanvoert
dat dit artikel gesteund was op een kort telefonisch contact tussen de betrokken
journaliste en hemzelf, dat had plaatsgevonden op een ogenblik dat hij door zijn
oversten nog niet ter verantwoording was geroepen voor het eerste artikel, en dat het
administratief dossier geen gegevens bevat die deze uitleg tegenspreken; dat, ook
al zijn de door de verweerster ingeroepen redenen ter verantwoording van een
tuchtstraf pertinent, die redenen, in het licht van de concrete omstandigheden,
inzonderheid de aard van de gewraakte uitlatingen, de context waarin ze zijn
gedaan, het ontbreken van een onmiddellijke reactie van de verweerster, en de
afwezigheid van betekenisvolle eerdere tuchtstraffen, niet voldoende zijn om de
afzetting als tuchtstraf te verantwoorden; dat, mede gelet op de gevolgen van een
afzetting voor de verzoeker, die straf onevenredig is met de op zich wettige
doeleinden die de verweerster daarmee heeft kunnen nastreven; dat de ernst van de
straf derhalve, in acht genomen het feit dat het gaat om een inmenging in de vrijheid
van meningsuiting, in redelijkheid niet in evenredigheid staat tot de aan de
verzoeker ten laste gelegde feiten; dat het middel in zoverre gegrond is;

3. Over de kosten van het beroep

3. Overwegende dat de verzoeker teveel zegels heeft aangebracht op
zijn verzoek tot voortzetting van de rechtspleging; dat de teveel betaalde
zegelrechten hem dienen te worden terugbetaald,

B E S L U I T :
Artikel 1.
Vernietigd wordt de beslissing op 4 december 2001 genomen door
de postontvanger van Antwerpen 1 “waarbij aan Guido P. werd
meegedeeld dat ingevolge het unaniem advies d.d. 28.11.2001 van de Commissie
van Beroep de door dhr. De P. opgelegde tuchtmaatregel van afzetting definitief
is geworden, en verzoeker vanaf 04.12.2001 uit de dienst wordt verwijderd en
afgezet”.
Artikel 2.
De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot
nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij.
Artikel 3.
De ten onrechte betaalde zegelrechten, ten bedrage van 10 euro,
worden aan de verzoeker terugbetaald.

Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op
12 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit :
de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter,
L. HELLIN, staatsraad,
A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad,
Mevr. V. WAUTERS, griffier.
De griffier, De voorzitter,
V. WAUTERS. P. LEMMENS.

RAAD VAN STATE nr. 168.781
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text