Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / Rol nr 22.990

Rol nr 22.990

/
/
61 Views

Arbh. Brussel (3de k.), 4 september 1990

Zet.: HH. Taelman, raadsh.; De Vleesschouwer en Bosmans, raadsh. soc. zak.

Pleit.: Mr Simons en Mw. Raquet, synd. afg.

n.v. C.H.B.-Devis t/C.E. (A.R. nr. 22.990)

Overwegende dat geïntimeerde op 15 december 1960 in dienst getreden is van de firma C.H.B.; dat zij, na fusie, overgenomen werd door huidige appellante met behoud van al haar rechten;

dat haar bij schrijven van 15 december 1986, uitgaande van de werkgever en voor ontvangst ondertekend door geïntimeerde, een opzeggingstermijn van 18 maanden betekend werd, ingaande op 1 januari 1987; dat zij onmiddellijk vrijgesteld werd van verdere prestaties; dat haar bij het verstrijken van de maand het volledige maandloon voor december werd uitbetaald, benevens de in het vooruitzicht gestelde verbrekingsvergoeding van 18 maand (brief van appellante d.d. 29 december 1986);

Overwegende dat geïntimeerde, oorspronkelijke eiseres, bij gerechtsdeurwaardersexploot van 18 december 1987 haar werkgever, huidige appellante, gedagvaard heeft voor de arbeidsrechtbank tot het bekomen van een bijkomende verbrekingsvergoeding, gelijk aan 8 maanden loon;

dat bij vonnis van 10 maart 1989(1) haar vordering werd ingewilligd;

Overwegende dat appellante meent te moeten voorhouden, zoals zij voor de eerste rechter heeft gedaan, dat de vordering onontvankelijk moet worden verklaard wegens laattijdig instellen ervan; dat zij er op wijst dat de inleidende dagvaarding gegeven werd op 18 december 1987, terwijl volgens haar de arbeidsrelaties tussen partijen een einde genomen hebben op 15 december 1986, datum waarop geïntimeerde van verdere prestaties werd vrijgesteld en de haar overhandigde brief voor ontvangst ondertekend heeft; dat, steeds volgens appellante, de vordering manifest laattijdig is en derhalve verjaard, nu geïntimeerde de termijn voorzien door artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 niet heeft gerespecteerd;

Overwegende dat het standpunt van appellante niet kan worden ingevolgd;

dat, zoals het Hof van Cassatie stelt in zijn arresten van 24 juni 1985 (R. W., 1985-86, 1297 en 1384), partijen de arbeidsovereenkomst die door één van beiden is opgezegd, niet noodzakelijk v66r het verstrijken van de opzeggingstermijn beëindigen door overeen te komen dat de werknemer ervan is ontslagen de bedongen arbeid te verrichten en dat de werkgever het verschuldigde loon regelmatig blijft doorbetalen;

dat dit a fortiori het geval is wanneer partijen een gelijkluidende overeenkomst treffen met betrekking tot de periode welke aan de ingangsdatum van de gegeven opzegging voorafgaat;

Overwegende in casu dat uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat partijen, en inzonderheid de beëindigende partij, wel degelijk de bedoeling hadden de arbeidsovereenkomst te laten voortbestaan in de periode van 15 december 1986 (aanvang van de vrijstelling) tot 31 december 1986 (aanvang van de opzeggingsperiode);

dat, zoals de eerste rechter stelt, volgende gegevens hierop wijzen:

– in de brief van appellante d.d. 15 december 1986 wordt uitdrukkelijk gesteld dat de opzeggingstermijn ingaat op 1 januari 1987;

– voor de tussenliggende periode van 15 tot 31 december 1986 betaalt appellante het normale loon (loonfiche december 1986: «rémunération normale»), ook al heeft geïntimeerde er mee ingestemd niet te presteren;

– het vertrekvakantiegeld wordt berekend en uitbetaald voor de ganse maand december 1986, en niet voor de hierna volgende periode vanaf 1 januari 1987 gedekt door een verbrekingsvergoeding; dat, waar inderdaad dit vakantiegeld op de verbrekingsvergoeding niet verschuldigd is, appellante door de betaling ervan voor de maand december a contrario erkent dat de arbeidsovereenkomst niet verbroken was vóór 1 januari 1987;

– de verbrekingsvergoeding welke achteraf zal worden betaald (storting aangekondigd op 29 december 1986), ter compensatie van de gegeven doch niet-geëerbiedigde opzeggingstermijn, dekt uitsluitend de periode vanaf 1 januari 1987 tot 30 juni 1988 (zie de vermeldingen op het formuliez C 4 en in de voornoemde brief van 29 december 1986);

– Overwegende dat, aan de hand van deze gegevens, de eerste rechter terecht heeft kunnen stellen: «Uit al deze vaststellingen blijkt ontegensprekelijk dat verweerster de arbeidsovereenkomst slechts vanaf 1.1.1987 als beëindigd beschouwde.»;

dat het Hof, om de genoemde redenen, deze beoordeling bijtreedt;

dat het feit dat geïntimeerde van 15 tot 31 december 1986 vrijgesteld werd van prestaties, en ook niet heeft gepresteerd, aan het voornoemde geen afbreuk doet;

Overwegende dat, waar moet worden gesteld dat de arbeidsovereenkomst in werkelijkheid beëindigd werd op 1 januari 1987, de vordering duidelijk niet verjaard is; dat zij immers werd ingesteld bij dagvaarding van 18 december 1987, hetzij binnen het jaar na het beëindigen van de overeenkomst;

dat het middel van appellante dient verworpen te worden;

Overwegende dat appellante in bijkomende orde stelt dat de uitbetaalde vergoeding, gelijk aan 18 maanden loon, voldoende is;

Overwegende dat het bedrag van de compenserende verbrekingsvergoeding gelijk dient te zijn aan het loon van de opzeggingstermijn welke de beëindigende partij in acht had dienen te nemen, of aan het resterende gedeelte ervan;

dat, zoals geïntimeerde benadrukt met verwijzing naar de bestaande rechtspraak, de opzeggingstermijn die de werkgever in acht moet nemen, bepaald wordt naargelang de voor de bediende op het tijdstip van de kennisgeving bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking terug te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd, het belang van zijn functies en het bedrag van het loon, volgens de gegevens eigen aan de zaak;

Overwegende dat geïntimeerde bij het ingaan van de opzeggingstermijn, de leeftijd had van 49 jaar en 6 maand, dat zij een anciënniteit had van 26 jaar, dat zij als gekwalificeerde bediende werd tewerkgesteld, dat haar een jaarloon van 734.050 F werd toegekend;

dat, de bovenstaande criteria in aanmerking genomen, het Hof oordeelt dat appellante bij de beëindiging een opzeggingstermijn van 26 maanden in acht had dienen te nemen, zoals gevorderd door geïntimeerde en zoals beaamd door de eerste rechter; dat inderdaad de kans voor geïntimeerde spoedig een gelijkwaardige en passende betrekking te vinden, ernstig bemoeilijkt wordt door haar leeftijd en ook door het feit dat zij gedurende zeer lange tijd vastgeankerd gebleven is in de uitvoering van dezelfde taken;

dat, waar appellante voorhoudt dat de betrokkene het vinden van een betrekking zeker niet bevorderd heeft aangezien zij na verloop van 10 maanden nog steeds niet als werkzoekende bij de R.V.A. was ingeschreven, dit een impertinente bewering is; dat vooreerst dient opgemerkt dat de R.V.A. niet het monopolie heeft van de werkaanbiedingen en dat, hoe dan ook, geïntimeerde, vooral gezien haar leeftijd, moeilijk te plaatsen blijft; dat bovendien de inschrijving als werkzoekende nauw verbonden is met het recht op werkloosheidsuitkeringen en hiertoe zelfs een vereiste is, zodat aan geïntimeerde, die geen recht heeft op uitkeringen tijdens de periode gedekt door de verbrekingsvergoeding, niet moet verweten worden zich niet tot de R.V.A. te hebben gewend;

Overwegende dat appellante een bijkomende verbrekingsvergoeding van acht maanden verschuldigd blijft; (…)

dat het bestreden vonnis dient te worden bevestigd (…)

(1) Arbrb. Brussel, 10 maart 1989.

Rol nr 22.990
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text