Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / Vonnis van 21 oktober 1994

Vonnis van 21 oktober 1994

/
/
113 Views

Arbrb. Antwerpen (6de k.), 21 oktober 1994

Zet. : Mevr. De Vriendt, recht.; HH. Spooren en de Schutter, recht. soc. zak.

Op. min. : H. Slachmuylders, subst. arb. aud.

Pleit. : MMrs De Ganck en Backx loco Mergits

V.F. t/ R.V.P. (A.R. nr. 70.922)

Eiser diende een aanvraag in om rustpensioen op 5 augustus 1991.

Met een administratieve beslissing d.d. 24 september 1991, betekend op 2 oktober 1991 werd zijn aanvraag onontvankelijk verklaard. (…)

1. De bestreden beslissing heeft de vordering onontvankelijk verklaard op grond van de volgende overwegingen : ” Overwegende dat bij het onderzoek werd vastgesteld dat U in het genot bent van een conventioneel brugpensioen;

Gelet op artikel 2, § 2, 1o van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, waarbij gesteld wordt dat de mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen slechts vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt aanspraak kan maken op zijn wettelijk pensioen “.

De feiten die tot deze overweging aanleiding hebben gegeven, zijn de volgende :

Op 4 mei 1988 werd eiser (geboren op 2.8.1931) ontslagen bij zijn werkgever de N.V. Kredietbank met een opzegtermijn van 21 maanden, ingaande op 1 juni 1988, waarna hij over zou gaan naar het statuut van conventioneel bruggepensioneerde.

Op 1 augustus werd eiser door zijn vroegere werkgever opnieuw in dienst genomen als bediende en dit voor onbepaalde duur.

Per 5 augustus 1991 deed eiser een aanvraag om rustpensioen, meldend dat zijn tewerkstelling zou eindigen op 31 augustus 1991, zodat zijn pensioen zou ingaan op 1 september 1991.

Zoals hoger gemeld werd deze aanvraag door verweerder afwijzend beantwoord, verwijzend naar artikel 2, § 2, 1o van de wet van 20 juli 1990.

2. Eiser tekent tegen deze afwijzende beslissing beroep aan op volgende gronden.

In eerste instantie wijst hij erop dat hij op datum van de aanvraag, niet in het genot was van een conventioneel brugpensioen vermits hij de hoedanigheid van actief werknemer had.

De R.V.P. kan geen wettelijke bepalingen aanwijzen waardoor hij wel de hoedanigheid van conventioneel bruggepensioneerde zou behouden, ondanks zijn indiensttreding bij zijn vroegere werkgever de N.V. Kredietbank krachtens voltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.

Eiser verwijst naar de voorbereidingen van de wet van 20 juli 1990 tijdens dewelke diverse kamerleden ervan overtuigd waren dat op grond van artikel 2, § 1, de ex-bruggepensioneerde als werknemer op zestigjarige leeftijd zijn rustpensioen kan aanvragen ook al is de regel dat mannelijke bruggepensioneerden dat slechts op 65 jaar kunnen.

Niet alleen naar de letter van de wet maar evenzeer naar de wil van de wetgever hebben mannelijke bruggepensioneerden die het werk tijdelijk hebben hervat, het recht om, desgewenst op hun 60-jarige leeftijd met rustpensioen te gaan en het recht op wettelijk rustpensioen te verwerven zonder dat dergelijke (her)indiensttreding met daarop volgende rustpensioenaanvraag voor een (voorheen) mannelijke bruggepensioneerde als ” misbruik ” en/of wetsomzeiling zou kunnen worden afgedaan.

Dit is een toegelaten vorm van wetsaanwending, aldus eiser.

Op het door de R.V.P. aangehaalde argument dat er geen geldige arbeidsovereenkomst bestond, vermits eiser vrijgesteld was van prestaties, antwoordt eiser onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie dat een werknemer ” in dienst kan zijn van zijn werkgever zelfs wanneer hij werd vrijgesteld om arbeidsprestaties te leveren met behoud van het overeengekomen loon. ”

In zijn laatste conclusie voert eiser aan dat artikel 2, § 2, 1o van de wet van 20 juli 1990 in strijd is met artikel 4, 1o van de Richtlijn 79/7 E.E.G. betreffende de geleidelijke ten

uitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.

Door artikel 2 van de wet van 20 juli 1990 worden de mannelijke bruggepensioneerden door de hun opgelegde verplichting om in het stelsel van het brugpensioen te blijven en pas op de leeftijd van 65 jaar rustpensioen te kunnen genieten, op een niet-toelaatbare wijze gediscrimineerd tegenover de vrouwelijke bruggepensioneerden, nu ” artikel 4 § 1 van Richtlijn 79/7 E.E.G. sedert 23 december 1984 door particulieren voor de nationale rechter kan worden ingeroepen om de toepassing van elke met dat artikel strijdige nationale bepaling te beletten; in geval van schending van artikel 4, § 1 van Richtlijn 79/7 heeft de benadeelde groep recht op toepassing van dezelfde regeling als de bevoordeelde groep die in een gelijke situatie verkeert, waarbij die regeling, zolang aan de Richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft “, kunnen ook ter zake de mannelijke bruggepensioneerden aanspraak op het recht op rustpensioen laten gelden, aldus eiser.

3. Verwerende partij daarentegen meent dat er geen geldige overeenkomst tussen eiser en de N.V. Kredietbank bestaan heeft, omdat één van de wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst, nl. het verrichten van arbeid, ontbreekt.

Anderzijds wordt niet betwist door verwerende partij dat de werknemer van het genot van een conventioneel brugpensioen kan afzien om opnieuw in het kader van een werkelijke arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten.

De R.V.P. verwijst naar een brief d.d. 4 april 1991 van de Minister van pensioenen die oordeelt dat, eens de werknemer de hoedanigheid van gerechtigde op een conventioneel brugpensioen heeft verworven, hij geen wettelijke bepaling kan inroepen waardoor hij zich van de beschermende maatregelen ontdoet die ten voordele van de ontslagen bejaarde werknemers worden ingesteld. Hij kan, naar zijn keuze weliswaar, een beroepsactiviteit uitoefenen die de betaalbaarstelling van de werkloosheidsuitkering en van de aanvullende vergoeding verhindert, maar hij kan hiermee niet definitief afstand doen van de hem toegekende rechten op de werkloosheidsuitkering en op aanvullende vergoeding.

Het recht op aanvullende vergoeding ten laste van de laatste werkgever blijft bestaan tot op de datum waarop de werknemer de leeftijd bereikt waarop het rustpensioen ingaat, in casu 65 jaar.

Verweerder is van oordeel dat de bestreden beslissing genomen werd conform de wettelijke bepalingen ter zake.

4. BEOORDELING

a. Met ingang van 1 augustus 1991 werd door eiser met de N.V. Kredietbank een nieuwe arbeidsovereenkomst afgesloten voor onbepaalde duur.

Op 5 augustus 1991 deed eiser een aanvraag om rustpensioen; zijn tewerkstelling zou eindigen op 31 augustus 1991, zodat zijn pensioen zou ingaan op 1 september 1991.

Artikel 2, § 1 van de wet van 20 juli 1990 legt het principe van de flexibele pensioenleeftijd vast, nl. dat de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen ingaat ten vroegste de eerste dag van de maand volgend op die wanneer de betrokkene 60 jaar wordt.

Artikel 2, § 2 bepaalt de uitzonderingen op deze algemene regel, nl. :

” … In afwijking van paragraaf 1 gaat het rustpensioen evenwel ten vroegste in op de eerste dag van de maand volgend op deze waarin… de mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen de leeftijd van 65 jaar bereikt… ”

Noch eiser, noch verweerder betwisten dat eiser een ” mannelijk gerechtigde op een conventioneel brugpensioen ” was gedurende de periode vóór de nieuwe indiensttreding per 1 augustus 1991.

Eiser meent evenwel dat hij door zijn indiensttreding per 1 augustus 1991 geen gerechtigde op conventioneel brugpensioen meer was; m.a.w. dat hij geen aanspraak meer kan maken op conventioneel brugpensioen.

De stelling is niet juist.

Eiser kon nadien wel nog aanspraak maken op conventioneel brugpensioen.

Een conventioneel bruggepensioneerde is een werknemer die ontslagen wordt en gezien zijn leeftijd op grond van een C.A.O. recht heeft op een aanvullende vergoeding ten laste van zijn laatste werkgever bovenop zijn werkloosheidsvergoeding; hij is een werkloze in de zin van het K.B. van 20 december 1963. (zie C.A.O. nr. 17).

Overeenkomstig artikel 12, § 2 K.B. 20.8.1986 en artikel 14, § 2 K.B. van 16 november 1990 mogen de personen die een brugpensioen genieten alle beroepsactiviteiten uitoefenen, bepaald in artikel 65 K.B. van 21 december 1967.

(Na het beëindigen van deze tewerkstelling blijven deze werknemers gerechtigd op hun conventioneel brugrustpensioen).

Deze beroepsactiviteiten mogen evenwel niet worden uitgeoefend als loontrekkende of als zelfstandige bij de laatste werkgever behalve als het gaat om jongeren op te leiden. In dit laatste geval wordt enkel de betaalbaarstelling van de werkloosheidsuitkering en van de aanvullende vergoeding verhinderd, maar de betrokkene blijft als dusdanig gerechtigd op een conventioneel brugrustpensioen.

Het heeft dan ook geen belang de geldigheid van de gesloten arbeidsovereenkomst na te gaan.

Bijgevolg valt eiser wel degelijk onder de toepassing van de uitzonderingsbepaling.

b. In zijn laatste conclusie voert eiser de strijdigheid aan van de uitzonderingsbepaling met de Richtlijn 79/7 E.E.G. betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

De Raad van de Europese Gemeenschap heeft in toepassing van artikel 235 E.E.G.-Verdrag, op 19 december 1978 een Richtlijn uitgevaardigd betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. – Richtlijn 79/7 E.E.G., P.B. 1979, L.G. p. 24.

Het Hof van Justitie heeft duidelijk verklaard dat ” de stelsels of uitkeringen van sociale zekerheid en met name de ouderdomspensioenen (…) die rechtstreeks door de wet worden vastgesteld ” niet vallen onder het begrip beloning zoals dat in artikel 119 is afgebakend, maar onder de Richtlijn (arrest van 25 mei 1971, zaak 80/70 Defrenne, J.P., 1971, 445).

Artikel 4 van deze Richtlijn legt het beginsel van gelijke behandeling vast :

” Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot : de berekening van de prestaties waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties “.

Artikel 7 laat de Lid-Staten de mogelijkheid om van de werkingssfeer van de Richtlijn uit te sluiten :

” De vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties “.

Het staat thans vast dat artikel 4 hogergemeld door particulieren voor de nationale rechter kan worden ingeroepen sedert 23 december 1984. (H.v.J.(l), Van Cant/ R.V.P., Soc. Kron., 1993, 338).

Eiser is van mening dat het door artikel 2, § 2, 1o van de wet van 20 juli 1990 ingevoerde leeftijdsverschil tussen mannelijke en vrouwelijke bruggepensioneerden ten aanzien van hun recht tot rustpensioen, strijdig is met artikel 4, § 1 van de Richtlijn 79/7 E.E.G.

De rechtbank stelt inderdaad vast dat de bepaling op het eerste zicht discriminerend is, vermits het enkel gaat om de mannelijke gerechtigden op een conventioneel brugpensioen.

Vrouwen met hetzelfde statuut van meer dan 60 jaar hebben de keuze ofwel om het rustpensioen aan te vragen ofwel om in de regeling van het brugrustpensioen te blijven. (H.v.J., 17 februari 1993(2), Soc. Kron., 1993, 252, noot DE VOS, D.).

De discriminatie vloeit voort uit de verplichting opgelegd aan de mannelijke bruggepensioneerden om in het stelsel van het brugpensioen te blijven en pas op de leeftijd van 65 jaar rustpensioen te kunnen genieten, daar waar vrouwelijke bruggepensioneerden vroeger het stelsel kunnen verlaten hetgeen financieel gunstiger kan zijn.

Valt deze maatregel onder artikel 4 van de Richtlijn, dan wel onder de uitzondering van artikel 7.

Zoals reeds hoger gezegd laat artikel 7.1 a de staten toe om van de werkingsfeer van de Richtlijn uit te sluiten : ” … de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties. ”

Het Hof heeft reeds verschillende malen verklaard dat de in artikel 7, lid 1, sub a van de Richtlijn 79/7 neergelegde uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van geslacht zich slechts uitstrekt tot de gevolgen die de pensioengerechtigde leeftijd ter zake van ouderdoms- en rustpensioenen kan hebben voor andere prestaties van sociale zekerheid.

(Arrest Beets-Proper, Zaak 262/84, Jurispr., 1986, 773, zie o.a. arresten in zaak 151/84, Roberts, Jurispr., 1986, 703, en in zaak 152/84, Marshall, Jurispr., 1986, 723) (3).

Het in artikel 7 bepaalde begrip ” gevolgen ” is beperkt tot wettelijke regelingen en tot al wat rechtstreeks verband houdt met de toekenning van een recht op pensioen.

Artikel 7, lid 1… moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de vaststelling van een naar geslacht verschillende wettelijke pensioengerechtigde leeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en tegen vormen van ongelijke behandeling die noodzakelijkerwijze met dat verschil verband houden (Arrest 7 juli 1992, zaak C-9/91, Equal Opportunities Commission, Jurispr., 1992, I-4297) (4).

In zijn conclusie van 25 mei 1993 in zaak C-154/92 Van Cant verwijst de advocaat-generaal naar het causaal verband dat er moet bestaan tussen een prestatie van sociale zekerheid en de pensioenleeftijd of m.a.w. op het feit dat ” elke discriminatie betreffende een prestatie, een noodzakelijk gevolg moet zijn van het voor de toekenning van ouderdomsen rustpensioenen bestaande verschil in pensioengerechtigde leeftijd “.

De discriminatie is geoorloofd indien er een causaal verband is tussen het verschil in leeftijd en de discriminatie betreffende de prestatie.

In casu bepaalt de Belgische wettelijke regeling dat mannen en vrouwen vanaf eenzelfde minimumleeftijd, te weten 60 jaar, aanspraak kunnen maken op een pensioen.

Van deze algemene regel wordt evenwel afgeweken o.a. in het geval van eiser nl. de mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen voor wie de minimumleeftijd 65 jaar is.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de minimumleeftijd voor mannelijke en vrouwelijke conventioneel bruggepensioneerden verschillend is.

Tevens stelt de rechtbank vast dat de door eiser aangeklaagde discriminatie in rechtstreeks causaal verband staat met het verschil in pensioenleeftijd.

Aangezien het Hof van Justitie reeds geoordeeld heeft dat de Richtlijn zich niet verzet tegen de vaststelling van een naar geslacht verschillende wettelijke pensioengerechtigde leeftijd en tegen vormen van ongelijke behandeling die noodzakelijkerwijze met dat verschil verband houden, besluit de rechtbank dat artikel 2, § 2, 1o niet strijdig is met de Richtlijn 79/7 E.E.G.

Overigens is de Raad van State tot dezelfde conclusie gekomen zoals blijkt uit haar advies d.d. 19 juni 1990 met betrekking tot het wetsontwerp tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn.

De Raad van State bepaalt op p. 6 al. 2 van haar advies : ” … Een gediversifieerde behandeling van de geslachten wat het vaststellen van de pensioenleeftijd betreft, zoals dat het geval is in artikel 2 § 2 van het ontwerp, komt dus niet in strijd met de bepalingen van de Richtlijn. ”

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

(1) 1 juli 1993, C-154/92 (N.V.D.R.)

(2) C-173/91, Commissie t. België (N.V.D.R.)

(3) Alle drie arresten van 26 februari 1986 (N.V.D.R.)

(4) Soc. Kron., 1993, 247.

Vonnis van 21 oktober 1994
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text