Taking too long? Close loading screen.
Home / Uncategorized / Voorz. Arbrb. Dendermonde 30 mei 2012 ERS 37

Voorz. Arbrb. Dendermonde 30 mei 2012 ERS 37

/
/
50 Views

Voorz. Arbrb. Dendermonde 30 mei 2012
ERS 37

 

Afdeling Sint-Niklaas.
Rep.

BESCHIKKING IN KORTGEDING:

Wij, G. Meysman, voorzitter van de Arbeidsrechtbank van Dendermonde, zetelend in kortgeding in de afdeling Sint-Niklaas, bijgestaan door H. De Jonghe, griffier – hoofd van dienst, hebben volgende beschikking gegeven in de zaak, ingeschreven op de bijzondere rol van de vorderingen in het kortgeding onder het nummer 12/3/C.

Inzake :

1. L, in eigen naam, in zijn hoedanigheid van vakbondssecretaris van het B.B.T.K. en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;
2. W, in eigen naam, in zijn hoedanigheid van vakbondssecretaris van het LBC – NVK en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;
3. B., in eigen naam en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;
4. BR., in eigen naam en als vertegenwoordiger van het personeel en lid va Kristel n het werknemerscomité;
5. D., in eigen naam en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;
6. WI., in eigen naam en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;
7. S., in eigen naam en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;
8. SC., in eigen naam en als vertegenwoordiger van het personeel en lid van het werknemerscomité;

eisende partijen, ter zitting vertegenwoordigd door meesters Jan Buelens en Lies Michielsen, advocaten te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 38, en alwaar ze allen woonplaats kiezen in het kader van huidige procedure,

tegen :

VERSANDHAUS WALZ G.M.B.H., Baby-Walz, Die moderne Hausfrau, vennootschap naar Duits recht onder de vorm van een G.M.B.H., met zetel gevestigd te 88339 Bad Waldsee (Duitsland), Steinstrasse 28, en met exploitatiezetel gevestigd te 9140 Temse, Winninglaan 3 en met KBO-nummer 0476.649.486,

verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meesters J. Lambers en Vermeiren, advocaten te 1050 Brussel, Louizalaan 109 en meester A. Truyens, advocaat te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten 57,

1. Procedurele antecedenten:

Met dagvaarding in kort geding, betekend op 16 mei 2012 door het ambt van gerechtdeurwaarder J.Anné, met standplaats te Hamme, door eisers aan verwerende partij, vorderen eerstgenoemden:

1. te horen bevelen dat verwerende partij de correcte en, volledige informatie- en raadplegingsprocedure moet heropstarten en dat verwerende partij onverwijld daadwerkelijke raadplegingen moet opstarten omtrent de vooruitzichten van het personeel, de organisatie van het werk en het tewerkstellingsbeleid in het algemeen, hiertoe de nodige inlichtingen te verstrekken om de werknemersvertegenwoordigers toe te laten hun advies en suggesties of bezwaren te formuleren, met het oog op de mogelijkheden om een eventueel collectief ontslag te voorkomen of te verminderen, alsook op de mogelijkheid om eventuele gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen en dit binnen de 24 uur na de betekening van de beschikking.
2. Minstens te horen bevelen dat verwerende partij een antwoord moet formuleren op de 20 vragen die door eisende partijen werden gesteld op de personeelsvergadering van 25 april 2012 en dit binnen de 24 uur na de betekening van de beschikking.
3. De kennisgeving door verwerende partij verricht op 25 april 2012 aan de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst en verricht op 25 april 2012 aan de F.O.D. Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, te schorsen tot de verwerende partij haar verplichtingen sub 1, minstens sub 2 is nagekomen.
4. Bij gebreke aan het bovenstaande te voldoen, een dwangsom aan verwerende partij te horen opleggen van 25.000,00 EUR per dag.
5. Verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding, daarbij inbegrepen de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 40,11 EUR.
De te vellen beschikking uitvoerbaar te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder de mogelijkheid van borgstelling noch kantonnement.

Via faxverzending op 23 mei 2011 om 11 u 27 laat verweerster haar syntheseconclusies toekomen ter griffie. Zij verzoekt hierin de vordering als onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en dienvolgens eisers af te wijzen en hen te veroordelen tot de kosten m.i.v. de geijkte rechtsplegingsvergoeding. Diezelfde conclusies worden in origineel nogmaals neergelegd ter zitting van 23 mei 2012

Eiseres deponeren hun conclusies ter zitting van 23 mei 2012. In het dispositief verzoeken zij de eis ontvankelijk en gegrond te verklaren, waarbij zij de vordering zoals verwoord in de inleidende dagvaarding ‘ne varietur’ integraal hernemen.

Partijen verklaren ter zitting van 23 mei dat de zaak voor wat hen betreft in staat is gesteld en kan gepleit worden.
De rechtbank nam kennis van de argumenten die door partijen in hun respectieve conclusies werden ontwikkeld.

2. relevante feitelijkheden:

Verweerster, een postorderbedrijf dat ressorteert onder PC 201 (zelfstandige kleinhandel), heeft op 29 maart 2012 haar voornemen te kennen gegeven om over te gaan tot collectief ontslag van de 33 bedienden, zijnde alle werknemers van het filiaal Walz België.

Hierop werden er door gedaagde vier personeelsvergaderingen georganiseerd, met name op 30 maart 2012, 3 april 2012, 17 april 2012 en een laatste op 25 april 2012. De informatie- en consultatieperiode overspant m.a.w. een periode van 3 weken. De meningen van partijen lopen uiteen of een navolgend geplande vergadering op 24 mei 2012 (zie verslag vergadering 25.4.2012) tot doelstelling had om de informatie-en consultatieperiode verder te zetten.

Op 25 april 2012 beschouwt verwerende partij de eerste fase van de informatie- en raadplegingsprocedure als afgesloten. Er volgt overeenkomstig art. 7 van het K.B. van 24 mei 1976 kennisgeving aan de directeur van de subregionale tewerkstel-lingdienst, die na ontvangst van aanvullende informatie, gevraagd bij brief van 2 mei 2012, op 7 mei 2012 beslist dat de 30-dagen termijn waarin verweerster de werknemers niet mag ontslaan, aanvang neemt op 4 mei 2012.

Er wordt door de VDAB geen verlenging van de 30-dagen termijn toegestaan (zie laatste mailbericht van VDAB in dit verband op 16 mei 2012).

Eisende partijen zijn van mening dat verweerster haar verplichtingen m.b.t. de procedure van raadpleging en informatie niet heeft nageleefd, minstens niet (afdoende) werd geantwoord op de 20 vragen die werden gesteld op de personeelsvergadering van 25 april 2012 en zich formuleerden als volgt:

1. bijgestelde plancijfers 2012 aangaande omzet Benelux en planomzetten van de overige Walz landen voor 2012;
2. omzet 4de kwartaal 2010 ontbreekt nog steeds, de opgave hiervan van de werkgever met de daarbijhorende EBT over deze kwartaalomzet;
3. de benchmark omzetten 2007 tot en met 2010 van de Walz landen,; we hebben tot nu toe alleen nog maar 2011 ontvangen;
4. antwoord op de vraag wat er gaat gebeuren met de niet e-commerce oftewel offline activiteiten in de Benelux;
5. antwoord op de vraag waarom er winstbelastingen werden betaald in Benelux als er geen winst gemaakt wordt volgens de werkgever;
6. antwoord op de vraag waarom er bonussen zijn uitbetaald aan directie in de Benelux over het Ergebnis CO resultaat, als er geen winst is volgens de werkgever;
7. de DB3 cijfers over de periode 2007-2011 van alle landen;
8. de Ergebnis CO cijfers over de periode 2007-2011 van alle landen;
9. de specificatie naar soort kost en hoogte per kostensoort van DB3 naar EBT toe over 2007-2011 van alle landen;
10. inzage in het uitgebreide onderzoek (hoe gehouden, wanneer gehouden, resultaten en aanbevelingen) dat volgens de werkgever gehouden is (zie punt 4.3, eerste regel in het verslag van dhr. Lambers van 17/4/2012);
11. duidelijke en uitgebreide uitleg over de strategiewijziging volgens de heer Staebler en het vergelijk met de vorige strategie;
12. Overzicht en uitkomsten van alle overwogen alternatieven die bewandeld zijn alvorens men het besluit heeft genomen om de vestiging te Temse te sluiten;
13. de reactie van de werkgever op de gehouden en meegeleverde powerpoint-presentatie door dhr. S. in de vergadering van 17/4/2012;
14. duidelijke en begrijpbare uitleg van de werkgever wat precies de voortverkoopprijsmethode inhoudt en hoe die toegepast wordt binnen de walz groep per land;
15. duidelijke en begrijpbare uitleg van de werkgever hoe de kostprijs berekend wordt en toegepast wordt binnen de walz groep per land;
16. de gedetailleerde bedrijfsresultatenrekeningen over de periode 2007-2011 van alle landen, die volgens de werkgever de maatstaf vormen om de bedrijfsmatige positie te beoordelen;
17. tekst en uitleg van de werkgever hoe men het afvloeien van personeel voorziet in Nederland en in België;
18. hoe ziet de werkgever de continuering van de activiteiten in relatie tot het afvloeien van het personeel;
19. klopt het dat de landspecifiek kennis en ervaring over de beneluxmarkten door de medewerkers aldaar geen meerwaarde vormt voor de werkgever. En hoe gaat de werkgever dit oppakken vanuit Duitsland;
20. wat zijn de rendementsverwachtingen van de aandeelhouders.

Er werd op heden nog geen enkele betrokken werknemer ontslagen. Vanaf het verstrijken van de periode van 30 dagen (op 2 juni 2012) kan de werkgever in principe overgaan tot collectief ontslag.

3. Bespreking

De werkgever die tot een collectief ontslag wil overgaan, dient de informatie- en raadplegingsprocedure, zoals voorgeschreven door CAO nr. 24 (art. 6) na te leven.

In art. 66 § 1 tweede lid van de wet van 13 februari 1998 (Tewerkstellingswet) worden de voorwaarden bepaald waaraan hij derhalve dient te voldoen:

“De werkgever die wil overgaan tot een collectief ontslag, dient de informatie- en raadplegingsprocedure inzake collectief ontslag, zoals voorgschreven door een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, na te leven.

De werkgever dient daarbij te voldoen aan de volgende voorwaarden:

1. hij moet aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, aan de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, aan de werknemers, een schriftelijk verslag voorleggen waarin hij zijn voornemen te kennen geeft om over te gaan tot een collectief ontslag;
2. hij moet het bewijs kunnen leveren dat hij omtrent het voornemen om over te gaan tot een collectief ontslag met de ondernemingsraad heeft vergaderd of, bij ontstentenis ervan, dat hij met de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, met de werknemers heeft vergaderd;
3. hij moet de leden die het personeel vertegenwoordigen in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers, de mogelijkheid bieden om vragen te stellen in verband met het voorgenomen collectief ontslag en om in dat verband argumenten te formuleren of tegenvoorstellen te doen;
4. hij moet de in 3de bedoelde vragen, argumenten en tegenvoorstellen hebben onderzocht en beantwoord.
De werkgever moet het bewijs leveren dat hij heeft voldaan aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden.”

Overeenkomstig art. 67 Tewerkstellingswet werden enerzijds de gronden tot betwisting beperkt tot de voorwaarden zoals opgesomd in art. 66 § 1 tweede lid en werd anderzijds een opsplitsing gemaakt tussen wat men de collectieve betwisting is gaan noemen en de individuele betwisting.

Art 67 tweede lid Tewerkstellingswet geeft de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis hiervan de leden van de syndicale afvaardiging, of bij ontstentenis hiervan de werknemers die dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden, de mogelijkheid om aan de werkgever bezwaren bekend te maken over de naleving van één of meer voorwaarden bedoeld in artikel 66 § 1 tweede lid van de wet, binnen een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de dag van de aanplakking bedoeld in artikel 66 § 2 tweede lid.

Voor deze collectieve betwisting wordt aangenomen dat in de laatste hypothese alle werknemers dan wel een ad hoc samengeroepen delegatie, hier het op 3 april 2012 opgerichte werknemerscomité, bestaande uit eisers onder 3 – 8, dit bezwaar kunnen uitten alsook de twee vakbondsecretarissen (eisers onder 1 en 2) die als vertegen-woordigers van het personeel kunnen aanzien worden (Arbrb.Brussel 3 oktober 2003, Soc. Kron. 2006, 412).

Aan het formuleren van het collectief bezwaar zijn verder geen bijzondere vormvoorwaarden verbonden.

Huidige dagvaarding in kort geding kan dan ook als de collectieve betwisting in de zin van art. 67 worden aanzien.

De werkgever (verweerster) die te maken krijgt met een collectieve betwisting op basis van artikel 67 tweede lid van de wet van 13 februari 1998, draagt in dit stadium
in beginsel alleen de verantwoordelijkheid om te oordelen over de gegrondheid van de betwisting, die bepalend zal zijn voor de manier waarop hij de procedure verder zal zetten (B.Vanschoebeke en E.Mathys, Collectief ontslag en sluiting van onderneming, Larcier 2003 blz. 113 nr. 142). Hij heeft hierbij twee mogelijkheden: ofwel herbegint of herneemt hij de informatie- en raadplegingsprocedure, ofwel legt hij de betwisting naast zich neer en gaat hij over tot collectief ontslag.

Het streven naar een akkoord met de werknemers over de beslissing tot collectief ontslag is immers te kwalificeren als een middelenverbintenis, waarbij de informatie- en raadplegingsprocedure finaal geen afbreuk doet aan het prerogatief van de werkgever om de uiteindelijke beslissing zelf te nemen. Dit prerogatief wordt door voornoemde procedure weliswaar gemoduleerd maar niet gedetermineerd (J. Peeters, Knelpunten in de procedure collectief ontslag, CBR Jaarboek 2003-2004, Maklu blz. 328 nr. 18).

De rechter kan in dit stadium evenwel niet worden gevat teneinde de betwisting te beslechten, daar het bezwaar niet aan enigerlei toetsing onderworpen is. Het vormt slechts een voorwaarde voor de individuele betwisting naderhand.

In diezelfde optiek komt het ook niet aan de rechter in kort geding toe om te bevelen dat de informatie- en raadplegingsprocedure, die weliswaar louter formeel gezien werd nageleefd (zie immers beslissing van de directeur van subregionale tewerkstellingsdienst van 7 mei 2012) wordt herbegonnen (Luik 7° kamer 22 mei 2001 J.T.T. 2001, 482). Dit maakt op zich geen schending uit van het principe opgenomen in art. 6 EVRM i.v.m. de toegang tot de rechter, daar de individuele werknemer wel degelijk naderhand in een procedure ten gronde nog het nakomen van de informatie- en consultatieprocedure door de werkgever kan in vraag stellen met alle pecuniaire gevolgen hieraan verbonden voor laatstgenoemde.

Enkel de individuele betwistingen kunnen dus aan het oordeel van de rechtbank worden onderworpen (H. Van Hoogenbemt, ‘De sancties wegens niet-naleving van de informatie- en consultatieplicht inzake collectief ontslag’ in M.Rigaux, De nieuwe procedure collectief ontslag, Intersentia 199, 99), doch zelfs in dit geval is niet voorzien in een bijzondere, versnelde procedure en is derhalve een procedure in kort geding uitgesloten, gelet op het feit dat de rechter definitief over de rechten en plichten van de partijen zal moeten oordelen en dus geen uitspraak bij voorraad mogelijk is (H.Van Hoogenbemt, ‘De sancties wegens niet-naleving van de informatie- en consulatieplicht inzake collectief ontslag’ in M.Rigaux, De nieuwe procedure collectief ontslag, Intersentia 1998, 101-102; F. Robert, Le licenciement collectif, Kluwer 2000, 73; F.Robert, ‘Non-respect de la procédure d’information et de consultation dans le cadre du licenciement collectif: comment évaluer les impacts sur le plan juridique et financier?’ Or. 2000, 191; B. Van Schoebeke en E. Mathys, Collectief ontslag en sluiting van onderneming, Larcier 2003, blz. 119 nr. 146).

Met arrest van 16 juli 2009 (Mono Car Styling/Odemis e.a., C-12/08) J.T.T. 2009, 305, sprak het Hof van Justitie zich uit over de prejudiciële vragen van het Arbeidshof Luik in zijn arrest van 3 januari 2008 (J.T.T. 2008, 121) en stelt het voorop dat het systeem zoals het Belgische een doeltreffende rechterlijke bescherming biedt van de collectieve rechten die in de richtlijn 98/59 op het gebied van voorlichting en raadpleging verankerd zijn, zodat aan het door art. 6 E.V.R.M. gewaarborgde recht op toegang tot de rechter geen afbreuk wordt gedaan.

Tot slot dringt zich de bedenking op wat een heropstart van de informatie- en raadplegingsprocedure in deze voor de getroffen werknemers zou veranderen (lees hun situatie zou verbeteren – dit laatste moet toch voor alles de doelstelling zijn bij de opstart van een procedure ), nu verwerende partij expliciet op de terechtzitting van 23 mei 2012 pleit dat er hoe dan ook van harentwege geen bijkomende informatie meer hoeft te worden verwacht, en er inzake ook geen sprake kan zijn van alternatieve oplossingen, die het collectief ontslag van de 33 werknemers alsnog zou vermijden.

OM DEZE REDENEN

Wij, Guido Meysman, voorzitter van de arbeidsrechtbank Dendermonde, zetelend in Kort Geding.

Gelet op de wet van 15.6.1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken die nageleefd werd.

Vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg.

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies.

Gelet op de stukken van het dossier.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst deze af als ongegrond.

Verwijst eisers in de kosten van het geding in hoofde van verweerster te begroten op 40,11 euro basisrechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art. 4 van het K.B. van 26.10.2007.

Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting door Ons, G. Meysman, voorzitter van de arbeidsrechtbank Dendermonde, bijgestaan door H. De Jonghe, griffier – hoofd van dienst, zetelend in kort geding in de afdeling Sint-Niklaas, op 30 mei 2012 en door Ons en voornoemde ondertekend.

De griffier-hoofd van dienst, De voorzitter
H. De Jonghe – G. Meysman

Voorz. Arbrb. Dendermonde 30 mei 2012 ERS 37
Geef ons jouw stem!
  • Facebook
  • Twitter
  • Google+
  • Linkedin

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

It is main inner container footer text