Taking too long? Close loading screen.
Home / Werkwoorden / Past simple

Past simple

Gewone, enkelvoudige verleden tijd – Past Simple

Gebruik

De Past Simple gebruik je voor handelingen of gewoontes die in het verleden hebben plaatsgevonden en die nu helemaal afgelopen zijn. In het Nederlands is dit gelijk aan de voltooid tegenwoordige of onvoltooid verleden tijd.

De verleden tijd vorm je door aan de stam -ed of -d(wanneer de stam eindigt op e) toe te voegen:

I lookedik keek
you lookedjij, u keek
he/she/it lookedhij/zij/het keek
we lookedwij keken
they lookedzij keken

We lived in Amsterdam when we were young – We woonden in Amsterdam toen we jong waren

Ontkenning

De ontkenning is hetzelfde als in de tegenwoordige tijd, enkel met de verleden tijd van het werkwoord to do = did

I did not look, you did not look, …

Vraagvorm



Zoals in de tegenwoordige tijd, maar met did:

Did I look?, did you look?, did he look?, …

Inhoudstafel

Home

Werkwoorden

Hulpwerkwoorden
Present Simple
Present Continuous
Toekomende tijd
Past Simple
Present Perfect
Past Perfect
Voorwaardelijke wijs
Passieve vorm
Can en must
Onregelmatige werkwoorden


Past simple
Wat vond je van deze pagina? Geef ons een rating!
image_pdfimage_print

1 Comments

Comments are closed.

It is main inner container footer text